De Wervelwind

MCluettAV120946-150515-22.pdf

Title

De Wervelwind

Description

Contents include Dutch royal birth, bombing of the Philips factory in Eindhoven, messages from royal family and commanders, and an overview of the war situation in Europe.

Date

1942-12
1943-01

Temporal Coverage

Language

Type

Format

One magazine

Publisher

IBCC Digital Archive

Rights

This content is available under a CC BY-NC 4.0 International license (Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0). It has been published ‘as is’ and may contain inaccuracies or culturally inappropriate references that do not necessarily reflect the official policy or position of the University of Lincoln or the International Bomber Command Centre. For more information, visit https://creativecommons.org/licenses/by-nc/4.0/ and https://ibccdigitalarchive.lincoln.ac.uk/omeka/legal.

Identifier

MCluettAV120946-150515-22

Transcription

De Wervelwing
MAANDBLAD VOOR VRIJHEID, WAARHEID EN RECHT
No.8 DECEMBER 1942/JANUARE 1943
[photograph]
ST. PAUL’S – TWEE JAAR GELEDEN
Heden verkondigen de klokken er de dak voor de eerste overwinningen

[page break]

[photograph]
PRINSES MARGRIET FRANCISCA

Juist toen deze Wervelwind over Nederland zou gaan, bereikte ons de heugelijke tijding dat in den avond van 19 Januari een Oranje-prinsesje was geboren. Wij bieden onze innigste gelukwenschen aan voor de Ouders, de Koninklijke Grootmoeder en de Nederlandsche Koopvaardijvloot, die peet staat over de jonggeborene. Wij verheugen ons met U. landgenooten in bezet gebied, over dezen lichtstrael, die doordringt in de duisternis van Uw lijden. Tracht allen ons volgende nummer te bemachtigen en geeft het aan elkander door, want daarin zullen wij brengen, in word en beeld, wat thans nog slechts leeft in ons aller harten: de blijde gebeurtenis in Ottawa.

Lang leve Prinses Margriet!

[page break]

DE Wervelwind
MAANDBLAD VOOR VRIJHEID, WAARHEID EN RECHT

No.8 VERSPREID DOOR DE R.A.F. DECEMBER 1942/JANUARI 1943

DE MOREELE OMSINGELING

WE weten allen dat in tijd van oorlog, gelijk in alle tijden van tegenspoed en gevaar, slechts zij wijs en sterk zijn, die hun ruimen kijk op het wereldgeschieden niet laten beinvloeden door de toevallige wijzigingen op den onmiddellijken voorgrond, en nooit afwijken van de zekerheid, dat hun persoonlijke taak de moeite waard is.Kanonniers, gezagvoerders van schepen en vliegtuigen, en bedieners van radiospeurapparaten hebben een onwrikbaar vertrouwen inde wetenschappelijke betrouwbaarheid van hun instrumenten. Het komt nooit bij hen op eraan te twijfelen, dat ze een onzichtbaren an onhoorbaren vijand kuhhen opsporen en verneitigen. Zoo zijn er millioenen anderen wier uithoudingsvermogen, zij het in de oorlogvoerende landen of de bezette gebieden, een even belangrijk deel uitmaakt van de oorlogsinspanning als de daden van soldaten, zeelieden en vliegers; ze hebben iets waar ze zich met zekerheid naar kunnen richten alsof ze zich bedienden van de modernste wetenschappelijke instrumenten, namelijk de drang van het plichtsgevoel die hen den weg wijst naar vrijheid, waarheid en recht. Ze bewaren hun vertrouwen en worden niet uit hun evenwicht geslagen.” Tijd noch toeval doen hen ervan afwijken.
Weinigen zijn zoo sterk dat ze ongevoelig voor de aanmoediging van een schip den vijand boven den gezichtseinder ziet werschijnen, wanneer de kanonnier het doel met eigen oogen te zien krijgt, worden ze door nieuwe hoop en vastberadenheid aangespoord. Ditzelfde geld took voor ons; als we den oorlog in zijn geheel beschouwen, en de strategische vooren nadeelen op alle tooneelen van den strijd overwegen, dan zijn er oogenblikken, dat het striven van de krachten der gerechtigheid ons duidelijker voor oogen komt te staan, end at onze overtuiging – ofschoon onveranderd gebleven – ons zichtbaarder wordt. Er zal steeds een verschil bestaan tusschen de verrouwd zijn met krijgsverrichtingen, naast de weinigen, die het verband kunnen zien tusschen de beweging van troopen of schepen in verafgelegen havens, zijn er velen voor wie de reusachtige afstanden en de onbegrijpelijke uitgestrektheid waarover deze oorlog zich afspeelt, alles moeilijker te begrijpen maken. De oorlog heeft zich tot elk werelddeel uitgebreid, en wordt zoodoende door elk klimaat beinvloed. De winter, voor de Duitschers in Rusland het slechte seizoen, is voor het geode seizoen. Bij het vaststellen van de kracht van de tegenstanders kan geen enkel land buiten begedachte dat het t ever afligt om eenigen invloed uit te oefenen op het verloop van den strijd. Minder dan enn jaar na de eerste aanvai van de Japanners hebben de onuit-
[inserted] “Ik geloof, dat de naties van Europa een boodschap verwachten ten aanzien van onse houding na den oorlog. Ik zou ons antwoord als volgt willen formuleeren: , Wij zullen doen wat wij kunnen om Uw geruineerde economie op te helpen bouwen. Wat het eat noodig is in Europa is de opbouw van een duurzaam verdedigings-systeem tegen de mogelijkeid van een nieuwe Duitache agressie. Wij zijn erop voorbereid mede te werken ann dit system en wij hebben ons voorbereid dit te doen omdat wij ten volle begrijpen, dat de vrede en veiligheid in Europa deel uitmaken van onze eigen vrede en veiligheid; en nimmermeer zullen wij Europa den rug toekeeren’” (Mr. Eden 2.12.42.) [/inserted]

(3)

[page break]

EINDHOVEN: HIER MOEST VOOR DUITSCHLAND GEWERKT WORDEN

puttelijke hulpbronnen van de Vereenigde Staten zich in ons Westelijk halfrond doen voelen. De strategie van de Geallieerde Volken omstrengelt den heelen aardbol, en het ingrijpen van Amerika in Afrika is een van die lichtstralen waardoor een ieder plots te zien krijgt wat voorheen slechts door de deskundigen kon worden beseft. Egypte is nu van vijanden gezuiverd; we zijn de Duitschers en Italianen, die zich ongetwijfeld van Marokko en Algiers hadden willen meester maken, voor geweest. Op stelselmatige wijze vorderen de Geallieerde Volken van het eene punt naar het andere. Ze volgen hun plan. De oorlog is in het bevrijdingsstadium getreden. Stap voor stap zal deze bevrijding ten uitvoer worden gebracht.
Uit de gebeurtenissen van de afgeloopen weken komen twee onweerlegbare feiten naar voren. Het eerste is van strategischen aard: de Duitschers en Italianen zijn omsingeld. Te Stalingrad en in Libyë hebben ze gemerkt door wie ze omsingeld worden. In het Oosten zijn de Japanners eveneens omsingeld, en op Nieuw Guinea worden ze teruggedreven. De vrije volken daarentegen, kunnen steeds vrijelijker gebruik maken van het aardoppervlak, naarmate ze de omsingeling strakker aantrekken. En dit eerste feit van groot strategisch belang wordt door een tweede feit nog verre overtroffen: de werkelijke wilskracht en de samenwerking van de vrije wereld. In den modernen oorlog zijn afstand en klimaat niet zoozeer overwonnen door schepen, tanks en vliegtuigen, als door den menschelijken wil en het vernuft, dat deze strijdmiddelen geschapen heeft; maar nog grooter dan de overwinning die de menschelijke wil behaald heeft op stoffelijke hinderpalen, zijn de overwinningen die de mensch in zijn strijd op zuiver geesrelijk gebied behaald heeft. De moreele omsingeling van Hitler is volkomen. Het Nationaal-Socialisme bestaat weliswaar nog steeds, maar het kan niet langer een overwinning behalen met bedrog.
De Redactie

[photograph]

(4)

[page break]

[photograph continued]
De Philips Fabrieken te Eindhoven, waar Duitsche opdrachten uitgevoerd moisten worden, tijdens den aanval op Zondag, 6 December, door laagvliegende bommenwerpers der R.A.F.

(5)

[page break]

[photograph]

DE KONIN LIJKE KERSTBOODSCHAP
Uitgesproken do[missing letters] H.M. Koningin Wilhelmina, op 20 December 1942 [drawing]

[italics] Landgenooten in het Vaderland. [/italics]

BIJ de nadering van het Kerstfeest, dat ditmaal voor U, en daarom ook voor mij, zoo moeilijk en droevig zal zijn, wil ik niet nalaten een enkel word tot U te richten.

Als ik van hier uit tracht te peilen al hetgeen in dezen Kersttijd in U omgaat, dan zie ik voor mijn geest Uw nijpende zorgen om Uw stoffelijk bestaan. Uw velerlei kwellingen en ongerustheid, den doodsnood waarin velen Uwer verkeeren, Uw droefheid en den rouw in Uw hart over hen, die U wreedelijk werden ontrukt; doch daarnaast zie ik Uw groeiende hoop, Uw onbeschrijfelijke spanning omtrent wat de toekomst zal brengen.

Van de eindoverwinning zijn wij overtuigd, maar alleen God weet wanneer de ure onzer bevrijding zal slaan.

Het zal on ook dit jaar zeker niet mogelijk zijn, Kerstfeest te vieren op de wijze, waarop wij dit gewend waren; wij kunnen het niet zoo tegemoet gaan als ware er geen oorlog.

Doch dit is ook het eerste noodige.

Voor ons is het allesbeheerschende te allen tijde het heilsfeit zelf, dat het Kerstevangelie verkondigt.

Want onwankelbaar en getrouw verrijst Gods liefde, zooals deze zich openbaart in de komst van Christus op aarde, boven al het geweldige dat wij beleven uit, end us ook boven de duivelsche machten die over ons heerschen.

Dwars door deze donkere wereld heen aanschouwen wij in Bethlehem die andere wereld, al seen toevlucht en een hoog vertrek, al seen lafenis en een bron van kracht voor elken moeden strijder.

(6)

[pager break]

Want strijders zijn wij thans allen: mannen, vrouwen en kinderen.

De geheele Bijbel is een doorloopend getuigenis van de liefde van God.

“Alzoo life heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve maar het aauwige leven hebbe” is wel de meest tot ons sprekende en aangrijpendste vertolking van de blijde Kerstboodschap.

Deze woorden heeft Christus door Zijn leven, met Zijn bloed en tranen, en bovenal, door Zijn opstanding bevestigd en gemaakt tot levende werkelijkheid voor ons.

Alleen bij Hem is een volmaakt samengaan van barmhartigheid en ontferming, van diepe bewogenheid en van zorgende liefde, met een machtig willen en kunnen, en sterk zijn.

Diep binnen ons verborgen “ik” hunkeren wij naar die volmaakt liefde.

Alleen zij kan ons staande houden in dezen verschrikkelijken tijd, omdat [italics] zij [/italics] ons alles toevoert wat ons innerlijk leven op peil moet houden.

Ja. Zij is de voortstuwende kracht en in de diepste beteekenis, het leven van ons leven.

Zij behoudt ons voor het gevaar van innerlijke verarming, voor dat van verharding, voor onverschilligheid, voor wanhoop, en nog zoo veel meer.

Zij stelt ons in staat mensch te zijn, in den volsten en besten zin van het word, ondanks alle aanslagen welke de macht der duisternis op ons richt.

Hiermede geeft zij ons die innerlijke sterkte, die wij voor elken strijd noodig hebben.

Niemand kan dit beter beseffen dan Gij, die zelf ondervindt wat het is overwinnaar te zijn, al schijnt Gij overwonnen.

Mogen wij dan allen, voor het eerst of bij vernieuwing, die volmaakte liefde grijpen, met ons heele wezen.

Thans richt ik mij in het bijzonder tot hen die worstelen om het behoud van hun geloof.

Ik weet, hoe zwaar de strijd op dit oogenblik is, en hoe moeilijk het thans is voor ons geloof om te volharden; ik ondervind ditz elf.

Indien wij, als wij ons moe of zwak gevoelen, ons blijven vasthouden aan die liefde als aan een zeer vaste rots, dan glijden wij niet af, dan zullen wij in onze donkerste uren de lotsgemeenschap ervaren van Hem, die zich voor ons liet nagelen aan een kruis, en Zich niet ontzien heeft in te dalen in onze grootste duisternis.

En deze verbondenheid geeft uitkomst en verlossing uit onzen nood.

Streven wij er dan naar, uit te wonen uit deze wereld, die de booze machten zoo droef en duister gemaakt hebben, en in te wonen in die wereld, die Bethlehem ontsluit.

Dat zij onze daad, het antwoord dat wij geven op de daad van God, ons verkondigd in het Kerstevangelie.

Wij zijn in verschillend opzicht andere menschen geworden, het leven stelt ook andere eischen dan voorheen.

Landgenooten! Gemeenschappelijk lijden heeft U hecht aaneengesmeed, als wart gij leden van één groot gezin.

Dit heeft U geleerd elkander vast te houden in onderlinge hulpvaardigheid en naastenliefde, welke het daadwerkelijk nakomen is van de liefde, door Christus ons geleerd.

Dat is schoon en veelbelovend voor de toekomst.

En thans richt ik mij tot de jongeren onder U.

Ik stel mij U voor gedurende de Kerstdagen, vereenigd in den huiselijken kring, elkaar onderling sterkend en opwekkend tot al het groote en geode dat in U en om U ontstaan is in deze zware verdrukking, end at het gereim is van Uw kracht.

Waakt erover als over enn kostbaar kleinood, dat gij bewaart voor het nieuwe tijdperk, dat beginnen zal met onze bevrijding.

Thans wend ik mijweder tot U allen.

Er is verdieping gekomen, en verbreeding van den horizon op godsdienstig gebied.

De werkelijheidd van God komt in dit tijdsgewricht zoo regelrecht op de geheele menschheid af, dat zij zich nier aan de keuze: voor – of tegen, kan onttrekken.

Het is of er vele kluisters afvallen en wij herboren worden in die hooge, onmetelijke vrijheld en heerlijkheid van Gods kindschap; of wij opvaren gelijk de arenden, tot dààr, waar wij zijn, boven het bereik onzer wederpartijders: daar, waar God alleen regeert, en het doen van Zijn wil ons steeds gelukkiger en vrijer doet zijn.

Ziet, dit is het wonder van Zijn liefde: dat Hij ons leven en sterven op Zich genomen heeft, van Zijn kribbe tot Zijn kruis, door het graf heen tot Zijn overwinning over doo den graf.

Zoo zullen ook wij door vernedering en tranen heen Hem eenmaal volgen in Zijn heerlijkheir.

Niets zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heer.

Dat God U allen rijken Kerstzegen moge schenken.

(7)

[page break]

MIJN INSPECTIE – TOCHT OVERZEE
Verslag van zijn Amerikaanschen reis door Z.E. LUITENANT-ADMIRAAL J. TH. FURSTNER

HET is uiteraard niet mogelijk, in een kort verslag een volledigen indruk te geven van al hetgeen ik op mijn reis door de Vereenigde Staten van Amerika en in onze West Indische gebiedsdeelen heb gezien. Laat ons beginnen met een word van groote bewondering voor hetgeen de Amerikanen op het gebied van organisatie presteeren. Vooreerst al de reis op zichzelf: het zou een physieke onmogelijkheid geweest zijn in een tijdsvloop van twee maanden aft e doen wat ik nu heb kunnen afdoen, indien de Amerikaansche Marine mij jiet van het begin af ter wille geweest was met het beschikbaar stellen van Amerikaansche marinevliegtuigen e nook wanneer het luchtverkeer aan de overzijde van den grooten haringvijver niet zoo uitnemend georganiseerd ware geweest.

“Doe het nu!”
De United States Navy houdt ervan de zaken “gesmeerd” te laten loopen. Geen enkele maal – behalve eens op Portorico – behoefde op het verwisselen van onderdeelen van radio of motor te worden gewacht; de gewone gang van zaken was, dat ik op het vliegveld van vertrek komende, het vliegtuig aantrof met reeds draaiende motoren end at, op het vliegveld van aankomst, de marine-auto klaar stond om mij naar het doel van de reis te brengen. Neem daarbij in aanmerking, dat de ontvangende Amerikaansche vlagofficier reeds met een programma in de hand staat als men aankomt en men zal begrijpen, dat de slagzin: “Do it [italics] now [/italics]”. In den letterlijken zin van het word, tot leidend beginsel in de Amerikaansche organisatie is verheven.

Toch krijgt men heelemaal niet een gevoel van haast, van “gedreven” worden; het tempo is zoo vanzelf sprekend voor iedereen dat het niet meer opvalt en bovendien . . . iedereen is zoo uitermate vriendelijk! Nu komt dit natuurlijk ook wel omdat ik Nederlander ben. H.M. Koningin Wilhelmina was juist in Amerika geweest, toen ik er aankwam en de indruk, die Zij gemaakt heeft, is zoo overweldigend, dat Nederland wel uitzonderlijk goed aangeschreven staat bij de Amerikanen. Ik zeg met opzet “de” Amerikanen, want het zijn heelemaal niet alleen de ambtelijke instanties, die mij bijzonder vriendelijk ontvingen . . . het is ook de gewone man die eenvoudig, hartelijk en tegemoetkomend is. Een typisch voorbeeld beleefde ik onmiddelijk bij mijn aankomst te New York. De man van de immigratie-controle, die mijn paspoort het eerst zag, zeide dadelijk: “daar moet de inspector van de douane bijkomen”. Nu hadden ze mij altijd verteld, dat de douane en immigratie-ambtenaren in Amerika zoo lasting zijn, dus ik dacht: “wat nu?” en ik zocht al naar de sleutels van mijn koffers. Het pakte anders uit. De “inspector” kwan met zijn heele personeel en vroeg: “Bent U de Nederlandsche admiral?” “Inderdaad”, “Well brother” – een hartelijke klap op mijn schouder, “ik heb de grootste bewondering voor de Nederlandsche marine. Erg blij je hier in de States te zien”. Ik viel natuurlijk in de rol, klopte hem ook op zijn rug en zei: “Thank you so much!” Enfin, de eene ambtenaar was in Nederland geweest, de andere had “Uw Koningin” gezien, weer een andere zei, dat hij een “tulpenfeest” meegemaakt had, (vermoedelijk was dat in Michigan) maar iedereen zeide iets vriendelijks over Nederland of over Nederlandsch-Indië. Date r temidden van die breed-glimlachende ambtenaren geen oogenblik verloren ging met kofferinspectie behoef ik u niet te zeggen.
Hoeveel Amerikanen er zijn van Nederlandsch bloed – extraction noemen ze dat – is verbazend; onze voorouders, die naar Amerika emigreerden, moeten wel heel vruchtbaar geweest zijn, maar het begon ook al met Nieuw Amsterdam in 1625. Hoe het met die Nederlandsche afstamming van vele Amerikanen nu precies zit komt er niet zoo erg op aan: het symptom is veelbeteekenend, dat door de houding van de Nederlanders tijdens en na de rampspoedige oorlogsdagen in Nederland en in Nederlandsch-Indië vele Amerikanen het een groot voorrecht schijnen te achten. Nederlandsche mannen of vrouwen onder hun voorouders te tellen. Die neiging is altijd aanwezig geweest, getuige het oranje-blanje-bleu, dat van de openbare gebouwen in New York nog Nieuw Amsterdam heette. Die waardeering voor het oude Nederland is echter deze laatste Jaren nog belangrijk verstkt.

“Nederland in den West”
Van New York naar Suriname, il n’y a qu’un pas! In werkelijkheid is het natuurlijk een vliegtocht van enkele dagen, maar in figuurlijken zin vormen New York en Suriname tezamen voor ons Nederlanders een herinnering aan het feit, dat in 1667 de toenmalige Nederlandsche Regeering besloot het grondgebied, dat later New York zou worden, aan Engeland af te staan ten einde het grondgebied, dat than sons Suriname is weer Nederlandsch te doen worden. Onze voorouders zullen toen ongetwijfeld mede hebben laten wegen, dat over Suriname reeds eerder de Nederlandsche vlag had

(8)

[page break]

[photograph]
LUITENANT-ADMIRAAL J. TH. FURSTNER
Nederlandsch Minister van Marine

gewapperd dan over het eiland Manhattan. Wellicht ook stond toen Suriname al bekend als een begiedsdeel, waar de Nederlandsche geest diepe wortels had geslagen. In ieger geval is dat nu, bijna 300 jaar later, zeer sterk het geval! De bevolking van Suriname is pro-Nederlandsch en pro-Oranje, meer dan men zich kan voorstellen als men er niet geweest is. Nog steeds wordt de “geode Koning Willem” ere vereerd, die de slaven in Suriname heeft vrijverklaard. Op Koninginnedag, 31 Augustus, de datum die ook in de toekomst zal worden gevierd als “Neerlands Vrijheidsdag”, brengen de gekleurde Surinaamsche vrouwen prachtige Oranje-bloemstukken in het Gouvernementshuis, waarvan ik er èèn zelf heb kunnen bewonderen.

Met die bevolking en met de Nederlandsche civiele en militiare autoriteiten wordt thans op uitstekende wijze samengewerkt door een contingent Amerikaansche militairen, dat met de in aantal veel grooter Nederlandsche troepen zorgt voor de veiligheid van dit Nederlandsche gebiedsdeel. De Nederlandsche Gouverneur, die opperbevelhebber is over de gezamenlijke Nederlandsch-Amerikaansche strijdkrachten in zijn gebied, heeft de maatregelen doen treffen die noodig waren om te zorgen, dat de Nederlandsche vlag ook gedurende dezen oorlog blijft wapperen boven dit van oudsher Nederlandsche gebiedsdeel.

Een soortgelijke samenwerking met Amerikaansche vloot-en legeronderdeelen heeft op Curaçao plaats. De nieuwe Gouverneur, die in naam van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina er het oppergezag uitoefent is door, niet allen ambtelijke maar ook persoonlijke, vriendschapshanden Schout-bij-Nacht, die toevalligerwijze ook in Nederlandsch Oost-Indie aan onze zijde gestreden heeft. Het was mij een voorrecht de niet onbelangrijke onderdeelen der Nederlandsche Marine aldaar te inspecteeren en met de verschillende gezagsdragers kennis te maken. Een bijzonder voorrecht acht ik het ook met den Nederlandschen bisschop van Curaçao kennis gemaakt te hebben, wiens invloed vèr uitgaat buiten het eiland, onder meer omdat in Curaçao het instituut gevestigd is waar van oudsher de Venezuelaansche Roomach-Katholieke intelligentsia haar dochters liet opvoeden en onderwijzen.

Zoo zijn de betrekkingen van onze gebiedsdeelen in West-Indie, behalve met de Noord-Amerikaansche, ook met de Zuid-Amerikaansche naburen alleszins bevredigend. In Suriname werd ik b.v. ook begroet door een Braziliaansche militaire missie, welke natie zich als groot land en bondgenoot, grenzende aan het Nederlandsche gebied, eveneens voor de territorial integriteit van het West-Indische deel van ons Koninkrijk interesseert. Toen ik later een andere Braziliaansche militaire missie in de Vereenigde Staten ontmoette, liet het hoofd dier missie zich op de meest vleiende wijze over de Nederlandsche Marine en over de koloniseerende eigenschappen van ons volk uit.

Er is nog één ervaring, die ik opdeed, welke ik u moet vertellen. Ik zag tienduizenden jonge Amerikanen in opleiding voor de modern oorlogvoering. Ik bezocht de Amerikaansche adelborstenopleiding, het vliegkamp waar onze Nederlandsche jongens, uit Indie gelvacueerd, worden geoefend, on een Amerikaansch vliegkamp, dat twee jaar geleden nog niet bestond en waar nu 1,400 piloten on 20,000 luchtschutters per jaar worden opgelied. Wat mij zoer sterk opviel was de grimmige Ernst en toewijding, waarmede al die jongelieden zich aan hun leertijd wijden. Er wordt niet veel gelachen, van speelsheid geen spoor, in elk geval veel minder dan in mijn eigen jeugd op 17, 18 jarige leeftijd, het geval was.

Voor de vrijheid!

Het is natuurlijk mogelijk, dat het de strikte discipline is, maar ik meen, dat het veel dieper zit. Deze jonge mannen hebben het gevoel, data an het opgreiende geslacht van dezen tijd een taak is toebedeeld, een harde maar ook verheffende taak. Zij gaan vechten voor een grootsche zaak, de zaak van de menschelijke vrijheid, die alleen gebonden wordt door een discipline, door een zelftucht van de enkeling ten bate van de eigen nationale gemeenschap, het Vaderland! En . . . het is niet alleen het eigen vaderland waar deze jeugd voor vechten wil, het is ook voor het vaderland van andere, naar den geest, vrije menschen. Het is werkelijk niet te sterk uitgedrukt; het is de geest der “kruisvaarders”, of als ge wilt, iets van het fanatisme voor vrijheid der “pimgrim-fathers”, dat de Amerikaanscke jeugd drijft om zich met hart en ziel te bekwamen in alles wat, in den modernen oorlog, de zekere eindoverwinning zal verhaasien.

Ik ben blij in de U.S.A. te zijn geweest, vlak voordat de landing van sterke Amerikaansche troepen in Noord-Afrika den wereld het bewijs gaf van hun organisatievermogen en geoefendheid. Dat ik ook in Canada ten geweest en bij Prinses Juliana mijn opwachting heb gemaakt, behoeft geen betoog. Het gaat alles naar wensch in het Koninklijk gezin, maar dat heeft Prins Bernhard U al per radio verteld.

(9)

[page break]

DE GEALLIEERDEN IN DEN AANVA – DE DUITSCHERS TREKKEN TERUG

[photograph]
1

[photograph]
2

[map]
3

[page break]

OP 8 November 1942 zei Hitler: “Alle wat ons in den vorigen winter overkomen is zal ons ditmaal niet meer overkomen.” Op 12 November openden de Russen hun offensief en sneden bij Stalingrad 200.000 man af, wier aantal in twee maanden tijd tot 40.000 verminderde. Tijdens de Kerstdagen werd een sterk ontzettingsleger tusschen Kotelnikovo en Stalingrad verpletterd. Ondertusschen hadden de Russen de Midden-Don overschreden en tot aan de Donetz het geheele gebied bevrijd ten Oosten van den spoorweg Voronesh-Rostov. Door een gelijktijdig offensief vanuit de Kalmukken-steppen, langs de Beneden-Don, dwongen zij de Duitschers tot een haastigen terugtocht in de richting Rostov. Op het Centrale Front veroverden zijj Veltki Luki; begin Januari brak het garnizoen van Leningrad uit en reikte de hand aan het Russische ontzettingsleger. Na een belegering van ruim 500 dagen, die in de stad een millioen slachtoffers geeischt had, was Leningradbevrijd. Van 19 November tot 19 Januari hebben de Duitschers verloren: 200.000 gevangenen, 500.000 dooden, 6.000 tanks, 3.500 vliegtuigen, 12.000 kanonnen en nog steeds wint het Russische offensief aan kracht.
Fig. 1. toont de Russen in hun sneeuwmantels tijdens een kracht.
Fig. 4. toont de Russische positie op 26 Januari.
Na een tocht door de Noord-Afrikaansche woesrijn van 2.000 kilometer, die de hoogste eischen stelde aan het uithoudingsvermogen en bevoorradingssysteem van Montgomery’s Achtste Leger, rukten de Britten op 23 Januari Tripolis. binnen en zetten zonder onderbreken de jacht op Rommel voort in de richting van de Tunesische grens. Fig. 3. Zoodoende komt de As in Tunis tusschen twee vuren. Op Fig. 2 ziet U eenige van de 200.000 krijgsgevangenen der As, die tijdens den woestijnveldtocht gemaakt werden.

[map]
4

[page break]

DE NIEUWE FRONTSOLDATEN
(Uitgesproken door den “Rotterdammer” voor Radio Oragje.)

ER zit in deze heele Mussert-en NS Bgeschiedenis van Zondag 13 December iets belachelijks. Er zit iets erbarmelijks in dezen hansworst met zijn dwergpartij; een erbarmelijkheid die je zou kunnen doen grijnzen van leedvermaak, als landverrader vergeten kon.

Maar er is werkelijk niet de minste aanleiding om te lachen: Hitler heeft niets van een humourist. Hij heeftdeze z.g. benoeming van Mussert tot “leider” van het Nederlandsche volk bedoeld al seen kaakslag in het gezicht van ons volk: een gebaar van machtelooze woede, omdat dit volk, waarschijnlijk als geen ander, onkwetsbaar gebleken is voor de nationaal-socialistische propaganda; omdat het zich, koppig en hardnekkig, tegen Moffen en landverraders tegelijk heeft verzet en blijft verzetten. Daarom wilde Hitler dat volk den smaad aandoen, aan een van de verachtelijkste individuen den naam van “leider” te geven en ann de verzameling tuig, die NSB heet, z.g. medezeggenschap in binnenlandsche aangelegenheden te verleenen. Dat is een reden.

De tweede e nook de ernstigste reden is, dat Hitler Nederland nog meer dienstbaar wil make naan zijn verloren oorlog. Daarbij zal de NSB nog meer moeten helpen dan tot dusverre en tevens een deel van de verantwoordelijkheid op zich nemen.

Meer dan twee jaar lang heeft het Nederlandsche volk den wereldstrijd zeer zeker met aandacht en spanning gevalgd, maar dan toch van zekeren afstand. Thans schijnt de tijd aan te breken dat wij er wederom direet in betrokken worden. Begrijp mij goed, ik wil niet zeggen dat spoedig op Nederlandschen bodem gevechtshandelingen bodem gevechtshandelingen zullen plaats grijpen. Maar ook zonder date r met wapens in de vuist gevochten wordt kan er oorlog zijn in een bepaald gebied. In die omstandigheden zal Nederland waarschijnlijk komen te verkeeren, Hitler weet den oorlog verloren, maar wil het niet opgeven. Hij zal niet terugschrikken voor een oorlog in de bezette gebieden om den oorlog naar buiten langer te kunnen volhouden. Hij heeft materialen noodig en mannen, mannen als arbeiders, en mannen als soldaten, tot iederen prijs. Hij zal voor niets terugdeinzen.

Daarvan dient iedere vaderlander zich, nu al, ter dege rekenschap te geven. Velen, zeer velen Uwer zullen dit reeds lang gedaan hebben. Maar hun, die nog in een zekere rust hadden voortgeleefd, zou ik willen vragen, met den meesten aandrang: “Bezint U en maakt U gereed. De oorlog zal aan U niet voorbijgaan. Bezint U op hetwereldgebeuren. Bezint U op de positie van Duitschland en bovenal op de positie van ons land. Bezint U op de taak, die U mogelijk wachten kan. Het Vaderland kan al zijn zonen noodig hebben, geen uitgezonderd.”

Gij, ambtenaren van Nederland, zijt een schild voor de bevolking, gelijk de Minister-President U dat onlangs vroeg. Het Vaderland rekent op U, op Uwe liefde, op Uwe toewijding. Gij kunt menig kwaad voorkomen, menigen maatregel. Gij hebt het reeds gedaan en wij weten het. Doe het nog meer.

Gij allen, geestelijke herders, doktoren, boeren, leeraren, onderwijzers, advocaten, kunstenaars, Gij allen, zonder uitzondering, landgenooten, mannen en vrouwen, Gij hebt een taak te vervullen. Gij kunt, ieder op Uw eigen terrain, wankelmoedigen sterken en den vijand demoralizeeren. Er is geen grens voor deze waakzaamheid. Zij kan gebeuren, iederen dag, ieder uur, op iedere plaats, bij iedere gelegenheid. Gij ziet en Gij hoort, hoe de vijand zelf zijn zaak verloren weet; hij wil alleen den dag des oordeels nog wat uitstellen. Het is aan U dien dag te verhaasten. Nu is dé tijd gekomen voor iederen vaderlander om to toonen, dat hij dankbaar is voor het erfgoed onzer vaderen.

En nu een bijzender word tot de arbeiders.

De slavenjacht op arbeiders zal, nog afgezien van andere dingen, waarschijnijk steeds scherpere vormen aannemen.

Ieder zal goed doen zich vooraf ernstig te beraden wat zijn houding zijn zal, als ook hem de hand van onzen vijand treft. Daarom zou ik uw aandacht even willen vestige op een paar punten. Zij kunnen U wellicht van nut zijn. De Moffen zullen trachten, uw arbeid tot het uiterste te benutten. Het is de Moffen volmaakt onverschillig, of U er over een paar jaar afgebeuld bij neer valt of niet. Dat is hun laatste zorg. Wat zij willen is een maximum prestatie, om hun verloren oorlog zoo lang mogelijk volt e kunnen houden. Vandaar da nook, dat zij op groote schaal het stukloon hebben ingevoerd. Dr. Ley, de Duitsche opperslavendrijver, heeft het in de Duitsche krant Der Angriff van 27 November j.l. openlijk gezegd: “De invoering van het stukloon moet zoodanig geschieden, dat iedere arbeider een maximum productie levert”. De zaak is eenvoudig: eerst wordt de bekwame arbeider lekker gemaakt met het vooruitzicht op hooger loon, en wanneer hij dan eenmaal bewezen heeft, meer dan het normale kwantum te kunnen afleveren, wordt het stukloon gewijzigd, zoodat hij weer op zijn oorspronkelijke verdiensten terugvalt. Iedere arbeider, die in dezen Duitschen val loopt, benadeelt

(12)

[page break]

al zijn arbeidskameraden, zonder dat hij er zeft ten slotte eenig voordeel van heeft.

Hier past maar een houding, nl. deze: werk zoodanig, dat de vijand, in ieder opzicht, zoo weinig mogelijk van U profiteert. Hoe Gij dit kunt bereiken, kan en moet natuurlijk aan U zelf worden overgelaten, al naar de omstandigheden zijn: laat U echter nooit verleiden, althans niet tot nader order, tot eenige daad van gemakkelijk te ontdekken sabotage of van openlijk verzet. Gij zoudt onmiddellijk onschadelijk worden gemaakt en we hebben op het geode oogenblik ook U noodig.

Gij dient U ook voor te bereiden op den vloed van propaganda, die over U zal worden uitgestort, door de radio, door kranten, lezingen, avondjes en weet ik wat nog meer. De zedelijke steun, dien Gij thans in Uw omgeving in Nederland vindt, zal U dan ontbreken. Ik ben er niet bang voor, dat die propaganda vat op U zal krijgen, maar het is beter vooref gewaarschuwd te zijn. De Moffen zullen tevens ongetwijfeld trachten, op allerlei manieren verdeeldheid te zaaien tusschen U en Uw lotgenooten, vooral die van andere nationaliteit.

Aan den anderen kant zullen de heeren van de Gestapo en van de SS een menigte “agents provocateurs” op U afsturen. Die spionnen en agenten zullen beweren net zoo den dood aan de Moffen en de nazikliek te hebben als U zelf. Maar als Gij er op in gaat, zijt Gij er bij voorbaat van verzekerd, het bitter te zullen berouwen. Weest voorzichtig in den omgang met wien dan ooki; wordt niet vertrouwelijk voor Gij positief weet dat Gij den ander ook ten volle vertrouwen kunt. Zoekt Uw vrienden met de noodige voorzichtigheid onder de arbeiders “uit de verdrukte landen en onze landgenooten.

Laat U door geen Mof en geen Moffin uit Uw tent lokken, maar toont hun een fiere, en voor zoover in de omstandigheden mogelijk, een opgewekte houding. Toont hun Uw zekerheid dat dit alles maar tijdelijk is end at de Duitsche nederlaag, als in 1918, onherroepelijk nadert. Zij voelen het zeft al in hun onderbewustzijn; als Gij hun Uw zekerheid toont, zal het hen bang en razend tegelijk maken. Dat is vast Uw zoete wraak, een voorproefje van wat nog komt.

Bedenkt ook bij voorbaat, wat Gij zult doen, als de Duitsche nederlaag eenmaal daar is, als het Duitsche volk gelijk in 1918, zich tegen zijn slechte meesters keeren zal en als het transportwezen gelijk in 1918, volkomen ontwicht zal zijn. Het is goed, hierover thans reeds Uw hersens aan het werk te zetten, nu Ge nog in betrekkelijke rust left en Gij de mogelijkheid hebt, die zaken met anderen te bespreken en hen om raad te vragen.

En bovendien, bezint U op Uw houding, wanneer van hier uit de roep tot actie tot U zal komen. Wie nu naar Duitschland trekt, gaat niet als slaaf, niet als beklagenswaardig man in het legioen der verdoemden, neen, hij gaat als frontsoldaat, hij gaat om mede te helpen strijden, hij gaat om vesting van binnen uit te verzwakken als zij van buiten af zal worden bestormd.

We hebben reeds, uit onverdachte bron, vernomen, dat de Moffen over de Nederlandsche arbeiders heelemaal niet te spreken zijn, dat zelfs onze landgenooten de slechtste reputatie hebben van alle nationaliteiten. Wel we zijn er trotsch op, dat onze vijanden dat zeggen. Maar dat is nog niet voldoende. Meer dan ooit moeten de Nederlandsche arbeiders in Duitschland zijn als de vooruitgeschoven post van het bevrijdingsleger, rustig, zelfbewust en vastberagen, gereed om toe te slaan op het goede oogenblik. De Moffen zullen merken, uit wat voor hout “die verdammten Holländer” gesneden zijn.

Iedereen kan thans dienst nemen in het leger der bevrijding. Het Vaderland heeft niet alleen soldaten noodig, maar ook burgers, die op hun eigen terrain den grooten strijd medestrijden. Er valt voor een ieder wat te doen; naar geen rang of stand, naar geen leeftijd of geloof wordt gevraagd.

Uw eerste daad moet zijn: bezinning op Uw plaats in de maatschappij en op Uw verantwoordelijkheid; bezinning op wat Gij kunt doen om den vijand te weerstaan eerst, en om den genadeslag toe te brengen daarna.

De vijand zal stormloopen; het zal zijn loop naar den ondergang zijn. De bevrijdingsstrijd is begonnen; hij kan lang duren, maar wij zullen hem winnen.

Leve onze Vorstin, leve het Vaderland, leve de Victorie.

[inserted] RADIO UIT LONDEN
7.40-7.50 UUR: 6.40-6.50 UUR: 11.45-12.00 UUR: Nieuwsberichten op 1500, 373, 49.59, 48.43, 41.96, 51.49 m.
12.45-13.00 uur:
Ochtenduitzending Radio Oranje op 1500, 373, 49.59, 24.8 m.
13.45-14.00 19.45-20.00 uur.
Nieuwsberichten op 1500, 373, 49.59, 48.43, 41.96, 41.49 m.
20.45-21.00 uur:
Avonduitzending Radio Oranje op 1500, 373, 49.59, 24.8 m.
23.50-24.00 uur:
Nieuwsberichten op 373, 285.5, 49.59, 49.10, 48.54, 41.49 m.

De zendtijden van Radio België zijn dus voortaan:
8.40-8.50 uur: (behalve Zondags).
17.30-17.45 uur: (op even dagen).
21.00-21.15 uur: (op oneven dagen).
(Alle op 373.1 meter). [/inserted]

(13)

[page break]

DE DUITSCHE PROVISIEKAST
(Hoofdartikel uit The Times, 20.10.42)

HOEWEL de juiste eijfers over de voedselbronnen, die dezen winter voor Duitschland beschikbaar zijn, niet bekend zijn, lijdt het geen twijfel, dat Duitschland dit jaar aanzienlijk meer voedsel noodig zal hebben dan in de voorafgaande oorlogswinters; en de eenige manier waarop het kan trachten, de huidige voorraden op peil te houden, is door te speculeeren op de toekomstige verwachtingen in de Oekraine.

De nieuwe voedselbonnen, die sinds 19 October geldig zijn, geven den normalen verbruiker recht op iets meer brood en vleesch, doch desondanks zijn de rantsoenen nog steeds lager dan vòòr de laatste vermindering op 6 April van dit jaar. Enkele producten – voornamelijk aardappelen – zullen waarschijnlijk in grootere hoeveelheden voorradig zijn, maar zelfs deze toename zal de vermindering van andere producten niet kunnen vergoeden. Het Julinummer van het officieele blad “Vierjaresplan” voorspelde een tijdelijke verbetering van de vleeschvoorraad naar aanleiding van meer slachtingen, maar daarna zou er weer een vermindering komen “in verband met de uitputting van de voorraden wintervoer.” Plantaardige oliën waren “zeer belangrijk beneden de verwachtingen”; de melkprouctie “beneden normal”; vruchten en groenten “beneden het gemiddelde”; klaver en klavergras “belangrijk beneden het gemiddelde”; eieren “ongeveer normal”; aardappelen “gunstig genoeg om de overgangsperiode door te komen.”

Doch zelfs wanneer het mogelijk zou blijken de huidige rantsoenen te handhaven, dan nog blijft het feit, dat de rantsoenbasis sinds 6 April van dit jaar belangrijk verminderd is vergeleken bij de rantsoenen, zooals die bij het begin van den oorlog werden vastgesteld en die, volgens de meening van experts, in dien tijd al seen minimum voor levensonderhoud werden beschouwd om in oorlogstijd het gezondheidspeil in stand te kunnen houden. Daar komt nog bij, dat, behalve de vermindering in kwantiteit er tevens een aanzienlijke achteruitgang in kwaliteit valt waar te nemen. Brood, dat dezen zomer nog smakelijk en voedzaam was, en zonder eenige twijfel beter dan voor den oorlog, is nu veel slechter. Het wordt gemaakt van ongebuild meel en bestaat uit 45 procent rogge, 35 procent tarwe en 20 procent gerst, en wordt daarom “Ddrittelsbrot” genoemd, oftewel “Brood-uit-drie-deelen.” Er zal nu zelfs nog 3 procent aardappelmeel in verwerkt worden. De hoeveelheden vetten, suiker, specerijen, eieren en gevogelte voor de restaurants zijn aanzienlijk verminderd. Waarnemers van betrouwbare neutral zijde zijn het er allen over eens, dat de voedseltoestand voor de groote massa in Duitschland een peil heeft bereikt, dat niet zonder gevaren verlaagd kan worden. In de eerste week van Augustus werd te Berlijn een conferentie belegd ondervoorzitterschap van Goering en bijgewoond door Backe, Bormann, Daluege, Frick, Funk, Goebbels, Lamers, Ley, Rosenberg, Speer, de meeste gouwleiders, en alle leiders van den Duitschen landbouw, teneinde de plannen te bespreken om Duitschland door den komenden winter heen te brengen.

Op het eerste gezicht lijkt het missehien vreemd, date r sprake is van een verscherping der voedselsituatie. Immers, sinds het uitbreken vanden oorlog heeft Duitschland de beschikking gekregen over een uitgebreid gebied, dat voedsel voortbrengt en het heeft alle mogelijke moeite gedaan in alle richtingen om die voortbrenging te verhoogen. Voor den oorlog exporteerden vele landen – Frankrijk, Holland, Denemarken – groote hoeveelheden voedsel naar Engeland. Dit overschot zou nu dus Duitschland ten geode moeten komen.

In 1939 exporteerde Holland 170.000 ton groenten; in 1041 exporteerde het 340.000 ton naar Duitschland. De export of liever roof voor 1942 wordt op 400.000 ton geschat. Bovendien is de oppervlakte voor tuinderij in Duitschland, volgens de Frankfurter Zeitung met één vierde uitgebreid.

Desniettegenstaande was het tekort aan groenten in Duitschland dit jaar zoo ernstig, dat de rantsoenen werden vastgesteld, en het was verboden om direct van de verbouwers te koopen, aangezien hierdoor de bevoorrading gevaar liep. Vruchten waren bijna niet te krijgen. Frankrijk moest, behalve een gedeelte van zijn eigen productie, eveneens een gedeelte van het geimporteerde voedsel uit Noord-Afrika afgeven. Het aardappelrantsoen in Noorwegen bedraagt 1 1/2 kilo per week, terwijl het in Duitschland dezen winter waarschijnlijk 4 1/2 kilo per week zal bedragen. Bulgarije en Roemenië hebben broodlooze dagen moeten instellen, om den slokop Duitschland met hun graan te voeden. Maar hoewel Europa wordt uitgehongerd om het Rijk te kunnen voorzien, is de voedseltoestand in Duitschland ergen dan ooit tevoren sedert het begin van den oorlog.

Het is zeer eenvoudig dit kritieke tekort aan voedsel te verklaren. In Juni van dit jaar deelde Backe zelf mede, dat de vorst zoo hevig was geweest, dat 2 1/2 millioen hectare winterkoren in de lente opnieuw gezaaid moisten worden. De bierbrouwerijen in Duitschland moisten zelfs hun voorranden gerst af geven teneinde ze als zaaizaad te kunnen gebruiken. In vele streken met vruchtboomen werd 40 tot 80 procent van de boomen en struiken door de hevige vorst der twee laatste winters gedood. Van het overblijvende aantal kwam slechts een klein gedeelte fruit op de markt, aangezien

(14)

[page break]

[photograph]
OUDE ORDE
– overvloed

Voor den Duitschen inval
MARKT IN OSLO
Na den Duitschen inval

[photograph]
NIEUWE ORDE
– honger-queues

[page break]

de vruchten gekneusd waren en daarom naar de jamfabieken werden gezonden. Het tekort aan groenten schreef Backe toe aan het “koude, natte weer van den afgeloopen zomer en herfst.” Enorme voorraden aardappelen waren door de vorst bedorven.

Voor het grootste deel is het tekort te wijten aan de verminderde productie in de Balkan-landen. De voortbrenging van deze landen bedraagt ongeveer een vijfde van die van voor den oorlog. Dit is te opmerketelijker wanneer men bedenkt, dat de Duitsche autoriteiten voor den oorlog vol vertrouwen voorspelden, dat, door de toepassing van de geintensiveerde Duitsche landbouwmethoden, de oogsten in de Balkanlanden verdubbeld konden worden. Aangezien het plaatselijke verbruik niet zou toenemen, zou het overschot, bested voor export naar Duitschland, minstens verdrievoudigd worden.

Na het Duitsch-Roemeensch Economisch Verdrag van Maart 1939 werden stappen ondernomen om deze plannen onmiddellijk uit te voeren. Het resultaat was echter een volkomen mislukking. Het voedseloverschot, bestemd voor den uitvoer, daalde tot bijna niets, inplaats van te stijgen. Deze daling was o.a. te wijten aan het feit, dat de twee voornaamste Zuid-Europeesche landen – Hongarije en Roemenie – gedwongen werden soldaten naar het Oostelijk front te zenden in veel grootere hoeveelheden dan, naar verhouding. Duitschland zeft, Daar deze soldaten voor het grootste deel uit den landbouw werden gehaald, daalde de voedselproductie, terwijl de consumptive steeg door het voeden van de eigen legers.

Duitsche fouten

De Duitschers hebben vele grove psychologische fouten began. De volken van de Balkan – en vooral de zeer nationalistische Hongaren en de rasbewuste Roemeniers – zijn zeer verbitterd over hun behandeling als waren zij minderwaardige rassen. Derhalve weigeren de landeigenaars hun velden te bebouwen. De boeren probeeren hun overschotten zoo lag mogelijk te houden, end it vooral, omdat Duitschland geweigerd heeft de prijsverhoogingen in aanmerking te nemen. Door de oorlogsonkosten, de geldschommelingen, en de schaarschte van de eerste levensbehoeften, zijn de prijzen in Roemenië sinds het uitbreken van den oorlog verschillende malen verdubbeld. Een ton olie kost op het oogenblik 34.000. lei. Gedurende langen tijd weigerden de Duitschers een verhooging van 12.000. lei op de oorspronkelijke prijs toe te staan. Eindelijk stemden zij er echter met tegenzin in toe, 23.000. lei te betalen. Dit had tot gevolg, dat de olieproducenten onwillig zijn olie aan Duitschland aft e staan, zoolang de binnenlandsche markt nog niet verzadigd is. Dezelfde toestand bestaat op de voedselmarkt, en dan nog zijn de Duitsche betalingen enkel schijn.

Terwijl de Duitsche voedsel-voorraden verminderen, stijgt het verbruik met elk oorlogsjaar meer. Door het Plan-Speer is elke beschikbare person, zonder aanzien van leeftijd of geslacht, zooveel mogelijk in het actieve oorlogswerk ingeschakeld, hetzij in het leger, de hulp-politie, arbeidsdienst, of Todt-organisatie. Al deze personen krijgen extra rantsoenen. Dat wil dus zeggen brood, melk, kaas en aardappelen is toegenomen. Ledere Duitsche soldaat krijgt 3 1/2 maal zooveel vleesch en tweemaal zooveel brood als de normale rantsoenen. Elke uitbreiding van de strijdmacht en hulpdiensten verhoogt tegelijkertijd het voedselverbruik.

Arbeiders in de zware bedrijven en nachtarbeiders krijgen voedzame extra rantsoenen. Tijdens het begin van den oorlog is het aantal arbeiders in de zware industrie gestegen met meer dan 1.000.000. Daarbij komt nog, dat het aantal buienlandsche arbeiders, afgezien van de krijgsgevangenen, dit jaar tot over de 3 millioen is gestegen, en voor het eind van het jaar zal dit waarschijnlijk stijgen tot ongeveer 5 millioen. Al deze monden moeten gevoed worden.

Dr. Clauss schatte in het officieele blad “NS-Landpost,” dat Duitschland sinds het begin van den oorlog te zorgen had voor 7 à 8 millioen extra eters. Clause rekende uit, dat, deze beide factoren inbegrepen, Duitschland op het oogenblik de verantwoording draagt voor het voeden van 17 à 18 millioen menschen meer dan bij het uitbreken van den oorlog. Duitschland leefde in de hoop, dat de besetting van de Oekraine het voedselprobleem zou verlichten. Inderdaad is er veel voedsel verbouwd voor het onderhoud van de bezettingstroepen. Doch het zal niet mogelijk zijn om, ondanks een verhoogde productiviteit in de Oekraine, de Duitsche burgerbevolking vóór 1944 extra voedsel uit dit gebied te verschaffen.

En nu nog Noord-Afrika!

De Geallieerde besetting van Fransch-Noord-Afrika beteekent echter een nieuwe slag voor de Duitsche voedselpositie. Duitschland legde (in theorie dan) beslag op een vierde van de groote hoeveelheden oliehoudende zaden en plantaardige oliën, die uit Noord-Afrika naar Frankrijk werden uitgevoerd. Voor de 500.000 ton vruchten en groenten uit Marokko, Algiers en Tunis gold hetzelfde. Duitschland eischte van Frankrijk levering van 800.000 ton graan voor de periode ’42-43, en hierin moest Noord-Afrika voor een kwart bijdragen. Ook zal Frankrijk (d.w.z. Duitschland) de Noort-Afrikaansche kunstmest (vnl. Phosphate) moeten missen. Tien groote vischrookerijen, die sinds den wapenstilstand in Marokko werden opgezet ten behoeve van het Duitsche bezettingsleger in Frankrijk, zullen hun sardientjes voortaan een betere bestemming kunnen geven. Ook in dit opzicht dus is het Geallieerd offensief in Noord-Afrika voor Duitschland uiterst onvoordeelig.

(16)

[page break]

Fransche arbeiders verslaan Laval !
DOOR A. DEN DOOLAARD

LAVAL is Hitler’s gouwleider Nummer Twee. Number één kan hij tot zijn spijt niet worden, want die plaats is reeds door Mussolini ingenomen. Maar toch is Laval een belangrijk man; hij is de ijverigste vennoot van de Groothandel in Slaven: Hitler, Sauckel, Laval, Rost van Tonningen en Co. Deze “Co” is de Duivel van het landverraad, die de verachting des menschen als de hoogste deugd beschouwt.

Hitler had de bekwame Fransche vakarbeiders noodig. Hij probeerde ze allereerst te krijgen onder valsche voorwendsels. Op 12 Juli verkon digde de Duitsche radio, dat elke Fransche arbeider, die naar Duitschland vertrok, één Fransschen krijgsgevangene zou bevrijden. Maar, zooals onze vriend Jan Moedwil zei, staatmaken op het word der Duitschers is gelijk leunen op een gebroken stok. Want op 21 Juli volgde de bekendmaking, dat enkel geschoolde metaalbewerkers als arbeiders beschouwd zouden worden. In het prettige ruilspelletje, opgezet door Hitler en Laval, met menschenvleesch als inzet, was dus eerst een gelijk aan een, en reeds negen dagen later was een niet meer een, maar het kwam te zweven tusschen een en nul.

Nazi-rekenkunde

Op 29 Juli kwam de mededeeling, dat de Franschen zich vooral niet moisten verbeelden, dat elke Fransche arbeider zoo maar een krijgevangene zou kunnen devrijden. De verhouding, waarin dit geschieden zou, bleek namelijk nog niet vastgesteld te zijn . . . Een was dus, ditmaal gelijk aan het algebraische X. – Maar op 11 Augustus kregen de slaven eindelijk vastigheid, afgezien van hun boeien dan. Het Duitsche Agentschap Trans-ocean vertelde, dat Laval goedgevonden had, 50.000 Fransche krijgsgevangenen te ruilen voor 150.000 geschoolde vakarbeiders. Een was dus voorlopig niet meer een, niet meer iets tusschen een en nul, niet meer X – maar een was drie.

Onmiddellijk na deze gelijktijdige verkrachting van eerewoord en rekenkunde stortte Laval zich op den microfoon. Smeekbeden en driegementen dienden als gardeering voor manhaftige beroepen op het geweten der Fransche arbeiders. Op het station Compiègne, waar uitgaande treinen met arbeiders en binnenkomende treinen met krijgsgevangenen elkaar kruisten, stind Laval met eerbiedig ontbloot hoofd, de lof der collaboratie te zingen, omringd door een eerewacht van verwaten Moffen, die tegelijk de lijfwacht vormden en de censuur uitoefenden. De arbeiders hingen uit de raampjes en uitten hun bijval door op het perron te spuwen.

In alle fabrieken werden de arbeiders opgeschreven, die zich gereed moisten maken voor het vertrek naar de Slavenburcht Moffrika. Maar Laval’s beroep op het geweten der Fransche arbeiders was niet vergeefs geweest. In de Gnòme en Rhône Motorenfabriek te Lyon waren 3000 slaven met zwart krijt opgeschreven; 700 moesten zich onmiddellijk melden. Vijftien man gehoorzaamden; de overigen weigerden. Laval gaf bevel hen te onslaan. De fabriek ging in staking. De kopstukken der ondergrondsch voortlevende vakbonden kwamen in ‘t geheim bijeen en zonden Laval de boodschap, dat de algemeene werkstaking in alle bedrijven voor hem en de Moffen klaar lag, tenzij de arbeidsconscriptie voor 17 October werd opgeheven. De Moffen dreigden de stakingsleiders voor den krijgsraad te brengen, maar het antwoord deed hen terugdeinzen. “Er zijn al zooveel krijgsraden, doodvonnissen en vuurpeletons geweest, dat dergelijke driegementen op onze menschen geen indruk meer maken.” De arbeiders voegden de gloeiende daad bij dit ijskoude word. in Lyon en Amberieu hadden groote straatgevechten plaats; St. Etienne, Annecy en Chamberieu vormden verdure kernen van verzet. Fransche vrouwen beletten de Duitsche dokters de lokalen te bereiken, waar de Fransche arbeiders zouden worden gekeurd. Terwijl de Gestapo voor bloedige onderdrukking van het oproer bleef, waren de Duitsche militaire autoriteiten, wien een eventueele staking in het verkeerswezen hoogst onwelkom was, voor verzoening, die ook inderdaad plaatsvond.

Overwinning van ‘t verzet

Zoo versloegen de ongewapende, slechts ondergroundsch georganiseerde arbeiders door hun solidair verzet den vuigen Quisling Laval. Dat heel Frankrijk nu bezet is, doet aan deze overwinning van strijdbare organisatie op brute tyrannie geen tittel of jota af, terwijl de moral van het geval van groote beteekenis blijft voor elken arbeider en werkgever in alle bezette gebieden. Want waarom verzetten de Fransche arbeiders zich zoo hardnekkig? Omdat zij beseften, dat het om meer ging dan om hun eigen slavernij en ballingschap. Want iedere geschoolde arbeider, die naar Duitschland gaat, bedenke dit: wegens den aard van het modern industrieproces geeft hij in Duitschland werk aan vijf ongeschoolde of halfgeschoolde arbeiders en arbeidsters. Indien acht geschoolde arbeiders er in slagen aan de Duitsche slavernij te ontsnappen, dan berooven zij de Duitsche oorlogsindustrie van vijftig arbeidskrachten. Nu het getij begint te keeren, is het meer dan ooit van belang de oorlogsindustrie de Moffen met alle middelen te verzwakken, teneinde de bevrijding van alle geknechten te verhaasten!

(17)

[page break]

ENGELAND IN OORLOG BOUWT AAN DEN VREDE VAN MORGEN
HET PLAN-BEVERIDGE EN ZIJN ONTWERPER

[italics] SIR WILLIAM BEVERIDGE is een Schot, die in Britsch-Indië geboren is. Hij is 63 jaar oud, maar is al meer dan 30 jaar lang een van de krachtigste persoonlijkheden, die in Engeland gewerkt hebben voor sociale wetgeving. Als student te Oxford gaf hij al blijk van buitengewone geestesgaven en veelzijdigheid. Reeds op jeugdigen leeftijd heeft hij zich gewijd ann sociale vraagstukken, en hij heeft de gelegenheid benut die zich voordeed ten tijde van de groote hervormingsbeweging op maatschappelijk gebied vòòr den vorigen oodlog, toen Lloyd George Kanselier van de Schatkist en Chirchill Minister van Handel en Nijverheid was. Als theoreticus verwierf hij zich onmiddellijk bekendheid door zijn baanbrekend werk tegen de werkloosheid, e nook in de praktijk werd zijn werk zeer gewaardeerd, toen hij de administratie regelde van het nieuwe system van arbeidsbeurzen in Endeland. Gedurende den vorigen oorlog heeft hij een groote rol gespeelld bij het organiseeren van de Engelsche voedselvoorziening. Tusschen den eersten en den tweeden wereldoorlog heeft hij in de Universiteitswereld hooge ambten bekleed, maar steeds heeft hij zich met onuitputtelijke energie gewijd aan sociale wetgeving en maatschappelijk werk. In den loop van den tegenwoordigen oorlog heeft hij onschatbare diensten bewezen inzake het onderzoek naar het problem van de erbeidskrachten en andere economische vraagstukken. Nu is hij weer teruggekeerd tot zijn taak van 30 jaar geleden. Het Britsche volk is bereid tot een nieuwen, grooten stap voorwaarts op den weg naar sociale gerechtigheid en bestaanszekerheid, en Beveridge heeft in zijn groot rapport – het resultaat van geconcentreerden geestesarbeid – een volledig, gedetailleerd plan voorgesteld om een typisch Britsche oplossing te vinden voor dit problem, waardoor, zonder afbreuk te doe naan de personlijke vrijheid, betere resultaten kunnen worden bereikt, dan eenig autoritair regime ooit tot stand zou kunnen brengen. [italics]

BEGIN 1941 kreeg Sir William Beveridge, een bekend econoom, opdrachtvan de Engelsche regeering het stelsel van Sociale Verzekeringen te bezien en vvorstellen in te dienen voor verbetering. Beveridge werd voorzitter van een Commissie van hooge ambtenaren. Voor deze Commissie haar voorstellen indiende, werd uitvoerig met de vertegenwoordigers van meer dan 100 organisaties en instellingen overlegd.
Het advise van Engelsche mannen van wetenschap werd ingewonnen. Het Interationale Arbeidsbureau verschafte waardevolle inlichtingen. En op grond van al dat material, verzameld, geschift en besproken door de Commissie, werd door den Voorzitter. Sir William Beveridge, een plan opgesteld, een plan tot bestaanzekerheid voor allen.
Dit plan is nu gepubliceerd. Op de dag van verschijning reeds werden 70.000 exemplaren van het lijvige rapport verkocht. De vrije radio spreekt er over. De vrije pers schrijft er over. Het vrije parlement zal er over beraadslagen en besluiten.

Beveridge’s Voerstellen:

Ten Eerste: een system van gedwongen sociale verzekering voor alle burgers.
Ten tweede: een ondersteuning van minstens 56 shilling per week voor iederen werklooze of invalide met vrouw en twee kinderen (volgens den officieelen wisselkoers is 56 shilling ongeveer 20 gulden).
Ten vrerde: kindertoeslag voor alle kinderen tot 16 jaar. Deze toeslag bedraagt ongeveer 3 gulden per week, behalve voor het eerste kind.
Ten vijfde: Speciale toeslagen voor vrouwen. Ongeveer 75 gulden bij huwelijk. Bij bevalling 30

(18)

[page break]

[photograph]

gulden plus 15 gulden per week voor de eerste dertien weken na de bevalling voor alle vrouwen, die voor hun onderhoud werken.
Ten zesde: Ouderdomspensioen voor alle mannen vanaf hun 65ste, voor alle vrouwen vanaf hun 60ste jaar, tot een bedrag van fl. 15.60 per echtpaar.
Ten zevende: uitkeering van fl. 150 aan de nabestaanden voor begrafeniskosten.
Ten achtste: de kosten van dit plan te dekken door de werkgevers, de werknemers en den Staat. De gemiddelde werkende man zou fl. 1.50 bijdragen en de gemiddelde werkende vrouw fl. 1.25.
De extra uitgaven, die van de gemeenschap gevergd worden voor de uitvoering van dit plan, zijn per jaar even groot als de huidige Engelsche oorlogsuitgaven voor drie weken.
Wij moeten hierbij opmerken, dat alle getallen in Nederlandsche munt slechts bij benadering gegeven konden worden. De officeele wisselkoers bidet slechte een zeer onvolmaakte maatstaf, om de eenvoudige reden, dat het prijspeil in Nederland veel sterker is gestegen dan in Engeland. Het voornaamste is echter dit:
De toeslagen die in het Beveridgeplan worden voorgesteld, zijn voldoende om gebrek te bannen uit ieder Britsch gezin. De sterk-Britsche trek van het plan is, dat, evenals in Nederland het geval was, bijdragen der werknemers als vanzelfsprekend worden beschouwd. De individueele trots der Britten schreef dit voor. Er is dus Britten schreef dit voor. Er is dus geen sprake van Staatsbedeeling.

De kern van hot plan ligt elders en wij willen haar weergeven in Sir William Beveridge’s eigen woorden, waar hij schrijft:
“Sommige achten het striven naar bestaanszekerheid onjuist. Zij achten deze zekerheid in strijd met het persoonlijk initiatief en de per-

(19)

[page break]

Neem het voorbeeld van Coventry. In deze stad hadden de gemeentearchitect en zijn assistenten in hun vrijen tijd plannen gemaakt voor den herbouw van het centrum. Dat was in 1939. Modellen werden gebouwd en tentoongesteld. Maar het waren slechts modellen – een concept voor een onbekende toekomst. Toen kwamen in 1941 de hevige luchtaanvallen op Coventry, en werd de binnenstad gedeeltelijk vernietigd. Nu zijn de denkbeelden, die orrspronkelijk op een zuiver hypothetischen grondslag berustten, bij de werkelijkheid aangepast, teneinde het plan te maken volgens hetwelk oventry na den oorlog zal worden herbouwd en uitgebreid.
Dit is slechts een enkel voorbeeld van de wijze waarop de jongeren zich in Engeland voorbereidden op het oplossen van na-oorlogsche problemen, terwijl de komende oorlog zelf reeds zijn schaduw op hun leven wierp. De jonge mannen van Coventry, en velen zooals zij, zijn nu onder dienst. Maar zoodra de gelegenheid zich voordoet zullen ze hun levenstaak weer opvatten in een atmosfeer die heel anders zal zijn dan voor 1939.
Engeland kwam, wat betreft architectuur en stedenbouw, tot een jaar of vijf geleden achteraan. Hiervoor bestaan redenen van historischen aard, die ook gelden voor Amerika, waar de oplossing van het huisvestings-probleem ver ten achter stond bij de normen, die door steden zooals Amsterdam, Kopenhagen, Weenen of Stockholm in het leven waren geroepen. Maar deze bekentenis kan blijmoedig worden afgelegd, omdat er zelfs voor den oorlog een aantal teekenen waren, die wezen op een geweldigen vooruitgang in de opeiding der architecten en op een nieuwen geest van onderzoek en avontuur, die in de jongeren was gevaren.

Op het oogenblik zijn er te Londen tentoonstellingen van voorgestelde bouwplannen voor het na-oorlodsche Londen. Eén van die tentoonstellingen is door de Royal Academy georganiseerd, en is van alle zijden aan felle critiek onderworpen vanwege het feit, dat ze zich aan deftig vertoon en praalzucht heeft schuldig, gemaakt. De critiek op de tentoonstelling schijnt zefts meer belangstelling te hebben gewekt dan de tentoonstelling zeft. Een andere tentoonstelling zal binnenkort in de National Gallery worden geopend; hier zal een heel ander beeld worden voorgelegd, dat vooral beoogt het aanbrengen van ingrijpende verbeteringen in de volkshuisvesting, den bouw van scholen en ziekenhuizen, en het aanleggen van industriewijken, en minder aandacht schenkt aan het scheppen van grootsche vergezichten en indrukwekkende boulevards. Geen van beide tentoonstellingen kan natuurlijk plannen aanbieden, die den eindvorm ook maar eenigszins benaderen, maar ze zijn niettemin het rechtstreeksch gevolg van de nieuwe, levendige en in elk geval algemeene belangstelling voor het maken van plannen, een uitmaakt van het modern Engelsche leven.
Het maken van plannen, d.w.z. ordening op materiel gebied, is een van de Engelsche oorlogsdoeleinden. Vasten vorm hebben deze plannen nog niet. Maar nog veel belangrijker dan het al dan niet bestaan van een vaststaand planis het feit, date r voorwaarden zijn ontstaan, die het vormen van plannen in de hand werken. De wil tot het opstellen en gebruik maken van stadsontwerpen is er – eveneens de hiertoe benoodigde bekwaamheid.

[inserted] NEDERLANDSCHE SPOORWEGARBEIDERS!
COLLEGA’S IN NEDERLAND!
UW land heb ik vaak bereisd. Uw spoorwegbedrijf heb ik dus van nabij leeren kennen, vele persoonlijke vrienden heb ik in Nederland verworven. Ik hoop hen spoedig weer te zien.
Ik begrijp, hoe het U te moede is. Geen volk was afkeeriger van machtsmisbruik, militarisme en onderdrukking dan het Nederlandsche. Die afkeer kan slechts zijn toegenomen: die afschuw drijft U tot verzet tegen de aanranders van Uw vrijheid en welvaart.
Wij, spoorwegmannen, weten maar al te goed, dat het transportwezen de kwetsbaarste plek is in Hitlers verfoeilijke en duizend maal vervloekte oorlogsmachin.
Ik zend U de groeten van het Engelsche spoorwegpersoneel, dat reeds groote offers gebracht heeft en zich belangrijke opofferingen getroost onr tot de overwinning bij te dragen. Dat deden wij, toen wij alleen stonden; hoeveel gemakkelijker wordt de last gedragen, nu wij machtige bondgenooten hebben. Tot de bondgenooten rekenen wij ook U, collega’s in Nederland.
Houdt goeden moed. Ik bedrieg mijzelf niet, als ik de verwachting koester, dat de Nederlandsche spoormannen het geloof in de internationale solidariteit hebben bewaard. Ik ben er rotsvast van overtuigd, dat van hen later gewaagd zal worden; zij deden hut plicht, zij bleven trouw in de moeilijkste omstandigheden.
JOHN MARCHBANK.
Algemeen Secretaris van den Engelschen Bond van Spoorwegpersoneel en Tweede Voorzitter van de Internationale Transportarbeiders-Federatie.
J.H. OLDENBROEK.
Adjunct Algemeen Secretaris van de I.T.F. [/inserted]

(22)

[page break]

EUROPA TEGEN DE MOFFEN: DOOR A. DEN DOOLAARD
Het verzet in Tsjechoslowakije

NEDERLAND left op het oogenblik in lotsgemeenschap met verschillende andere kleine volkeren; en landen, wier lot ons vroeger nauwelijks raakte, liggen ons nu nader aan het hart, juist omdat de harten hier en ginds benauwd worden door dezelfder tyrannie en zuchten naar dezelfde vrijheid. Indien een land onze broederlijke aandacht verdient, dan wel Tsjecho-Slowakije; want elke, waarachtige democrat heeft speciaal tegenover de Tsjechen veel goed te maken. Toen de groote democrat Thomas Masaryk in September ’37 stierf, gaf hij het volk, dat hij bevrijd had, het diepe word mee: “Niet Cæsar, maar Christus”. Een jaar later vielen de groote democratieen bijna zonder protest in de valkuil der beide Cæsaren Hitler en Mussolini; en onder het beleefd prevelen van een haastig: “Ben ik mijns broeders hoeder?” leverden zij Tsjechoslowakije aan handen en voeten gebonden aan den tyran Hitler uit, volkomen Bismarch’s diepe word vergetend: “Wie Bohemen beheerscht, die beheerscht Europa”. Ook uit onnadenkenden Nederlandschen kring steeg toen een kort en zwak gejuich op, vanwege den zoogenaamd geredden vrede. In Maart ’39 vertoonde Hitler zijn afstootelijk aanschijn voor een venster van het Hradschin, het Praagsche kasteel der Boheemsche koningen. De annexatie van Bohemen bezegelde het lot van Europa: dit was het eind van alle veiligheid. Zes maanden later begon de oorlog.
Hitler triomfeerde, toen hij de trappen van het Hradschin beklom. Het eerste volk der gehate Slaven lag vertrapt aan zijn voeten; met de sleutels van het kasteel Bohemen in handen was de rest kinderspel. Nu kon hij zich wreken op “deze dwergen van onbekenden oorsprong”, zooals de blonde, uiterlijk zoo zuiver Arische reus Goebbels in een onvoorzichtig oogenblik de Tsjechen noemde. Sinds bijna drie Jaren wordt het volk der Tsjechen gemarteld; en Hitler heeft sindsdien één ding geleerd: dat dezelijke kracht van reuzen hebben. Want hij vergat één ding: dat dit volk, precies gelijk het Nederlandsche, in langvervlogen maar niet vergeten eeuwen een vrijheidsstrijd had doorleefd, die het voorgoed mondig had gemaakt: een vrijheidsstrijd, waaraan de Duitsche barbaren nooit waren toegekomen; een vrijheidsstrijd, waardoor voor elken Tsjech de naam van Johan Husz dezelfde diepe beteekenis heeft gekregen als Oranje voor ons. Ook bij de Tsjechen groeit de sterke boom van den weerstand uit het jaloers bewaarde zaad der volkshistorie.
De Gestapo vierde Hitler’s blijde binnenkomst in Praag met het verrichten van duizenden arrestaties. Wij willen hier niet de systematische plundering van den Tsjechischen nationalen rijkdom beschrijven: Nederland kent dit uit ervaring maar al te goed. Later wij ons bepalen tot den Duitschen terreur en den Tsjechischen weerstand. Ondanks de martelingen, die dag en nacht doorgaan in Bubenec, het Praagsche Oranjehotel, blijft het verzet ongebroken. Dit wordt reeds bewezen door den jongsten Duitschen maatregel: In Praag is een special “Ueberfallkommando” ingesteld, dat niet tot taak heeft Tsjechen te overvallen, want dit is de praktijk van elken dag, maar om Duitschers te beschermen tegen de overvallen door Tsjechen. Zoo krachtig is het verzet na het fusilleeren van duizenden Tsjechen, terwijl er bovendien naar ruwe schatting 150.000 in concentratie-kampen zitten opgesloten.
Deze slachtoffers achter prikkeldraad zijn voornamelijk intellectueelen. Tijdens den zomer van ’39 verklaarde Himmler: “Ik ben 37 jaar, en ik heb betere zenuwen dan alle Tsjechen tezamen. Niets zal mij tegenhouden. Ik zal, zoonoodig, honderdduizenden Tsjechen doodschieten. Helpt dat niet, dan roei ik de geheele Tsjechische natie uit.” Hij is in de uitvoering dezer beestachtige bedreigingen slechts geremd door de dringende behoefte, welke zijn collega Sauckel aan slaenarbeid heeft. Maar-dit is tevens de reden, dat de intellectueelen aanvankelijk zonder genade werden uitgeroeid. In November ’39 werden de Universiteiten overvallen. 8.000 studenten werden gearresteerd; 124 van hen, waaronder drie meisjes, werden voor voor de oogen der anderen doodgeschoten. Na vrijlating pleegden vele vrouwelijke studenten uit schaamte zelfmoord. De universiteiten zijn alle voor Tsjechen gesloten, en blijven na drie jaar, nog steeds gesloten. De laboratoria en bibliotheken, zoover voor barbaren begrijpelijk en bruikbaar, werden naar Moffrika vervoerd; onvervangbare manuscripten, zooals Professor Janko’s groot woordenboek der Tsjechoslowaaksche dialecten, de vrucht van 30 jaar werk, werden als brandstof gebruikt in de veldkeukens der S.S. 60% der middelbare scholen zijn gesloten. 3 millioen boeken van Tsjechische schrijvers gelijk Masaryk, Benesj en Capek zijn verbrand of vedrpulpt. Kinderboeken gelijk de “Rattenvanger van Hameln” zijn verboden, “daar het onmogelijk is, da teen Duitsche stad gelijk Hameln aan de ratten ten prooi zou vallen”. De nationale opera’s van Smetana: verboden. Dvorak’s opera “De Jacobijn”, 50 jaar geleden geschreven, werd verboden, omdat de profetische componist een der

(23)

[page break]

liederen de beginregel gaf: “Adolf, gij zijt waanzinnig.”
Maar het verzet duurt voort. De profetische woorden uit Smetana’s opera “Libuse”, dat de Tsjechische natie niet ten onder kan gaan, branden in alle harten; en zefts het dagelijksche schrikbewind na Heydrich’s dood kan het verzet niet breken. Onmiddellijk na de gelukte aanslag op den beul Heydrich haalde de Gestapo uit de belendende buurt 800 jonge vrouwer en meisjes weg, ter “ondervraging”. Den dag daarop bestormde het volk van deze voorstad de Gestapobarakken; de verschrikte beulen lieten alle vrouwen, op twee na, vrij. Sinsdien regent het echter in heel Bohemen elken dag doodsoordeelen, waarvan vele de zwakke omschrijving dragen “diefstal wegens verduistering”. Deze zoogenaamde dieven zijn echter doorgaans dappere saboteurs.
Volgens bekentenis der Moffen zeft workt het verzet duchtig aangewakkerd door de radiostem der vrije Tsjechen in Londen. Deze sterke bijstand was den Moffen een doorn in het dierlijk oog; en zij zochten in de lafheid huns harten naar een dwangmiddel, om deze stem te wurgen met de strop van den angst. Zij maakten bekend, dat de familieleden in Tsjechoslowakije van alle hun bekende Vrije Tsjechen gevangen waren gezet; zweeg de stem niet, dan zouden de families het moeten ontgelden.
De Tsjechische minister, Jan Masaryk, zoon van den grooten Masaryk, gaf op deze laffe en vergeefsche bedreiging een edel antwoord:
“De Duitschers hebben onze families gearresteerd. Maar allen, die reeds gemarteld en vermoord zijn – ook zij zijn onze familie. Zij zijn de kinderen van ons volk; en hun dood dwingt ons tot verbitterd doorvechten! Indien wij weken voor dreigementen, dan zouden wij deze dooden verraden. Maar het is beter te sterven dan in den greep te geraken van Hitler’s bestialiteit, en Aldus slaven van slaven te worden.
“De Moffen vergissen zich, indien zij denken, dat wij zullen wijken voor vreesaanjaging. Met Gods hulp zullen wij voortschrijden, wij met ons werk, en Gij met Uw worsteling; er is geen andere keuze! Gedurende den vorigen oorlog zei mijn vader, die als banneling in den vreemde leefde, en zijn vrouw had moeten achterlaten: ‘Indien zij mij alles afnemen; indien zij mij van mijn vrouw berooven; indien zij mij naar het leven staan – dit alles kan mij geen haar breed doen afwijken van den eens gekozen weg. Het is even noodig door te gaan met worstelen als het noodig is door te gaan met ademen.’”
Zoo sprak Jan Masaryk, de zoon van den stichter der Tsjechoslowaaksche republiek tot alle strijdende Tsjechen. Elken dag weer leest men doodsoordeelen in de Tsjechische kranten, vijf, zeven, twaalf, zestien, tien . . . dag in, dag uit. Maar de Tsjechen wijken niet voor vreesaanjaging. Zij kennen de leemen voeten van den kolos, en zij strijden verder in onwrikbaar geloof aan de herleving van hun volk.

[inserted] LIDICE zal leven, ondanks den moord op iederen man, en het wegvoeren van alle vrouwen en kinderen naar concentratie-kampen. Nadat Heydrich zijn verdiende einde gevonden had, beschuldigden de Duitschers het Tsjechische stadje Lidice er van, de moordenaars van Heydrich verborgen te hebben. De beschaafde wereld was diep geschokt over deze nieuwe Duitsche barbarij. Protestvergaderingen werden gehouden. De foto toon teen bijeenkomst in Londen. [inserted]

[photograph]

(24)

[page break]

HET KOMENDE NEDERLANDSCHE RIJKSVERBAND
De baanbrekende redevoering van H.M. de Koningin

OP 6 December 1942, op den eersten verjaardag van het begin der Japansche oorlogsactie, hield Koningin Wilhelmina via Radio-Oranje te Londen een rede, die veel méér was dan een herdenking van Pearl Harbour. Zij was ook en vooral een staatkundige beschouwing over het Nederlandsche Rijk, over Nederland en Nederlandsch-Indië in het bijzonder, over de verhouding dezer gebiedsdeelen in het verleden en in de toekomst. Het was een rede, welke tegelijk in enkele geconcentreerde stralen een helder licht wierp op den bereikten status van vòòr den oorlog, en den weg toonde naar de voltooiing eener eeuwenoude verhouding na den oorlog.
Na een inleidend overzicht van de gebeurtenissen in het Verre Oosten welke onze Regeering aanleiding gaven, den staat van oorlog met Japan te werklagen, sprak Hare Majesteit Aldus:
“Meer dan ooit gaan op dit oogenblik mijn gedachten uit naar mijn land- en rijksgenooten in Nederland en Nederlandsch-Indië.
Na een historische verbondenheid van eeuwen, waarin het tijdperk van koloniale verhouding reeds lang tot het verleden behoorde, stonden wij aan den vooravond van een samengaan op voet van gelijkheid, toen wij plotseling voor de huidige harde beproeving warden geplaatst.
De verraderlijke overval op Nederland van 1940 was de eerste onderbreking in het ontwikkelingsproces; de heldhalfig gevoerde strijd van Nederlandsch-Indië, gevolgd door de besetting van het overgroote deel van het gebied in 1942, was de tweede. Reeds in den tijd, toen Indië nog vrij was en alleen Nederland was bezet, bleek de kracht van deze verbondenheid en leefde aan beide zijden een gevoel van sterker saamhoorigheid, dan in vredige dagen zoo snel kon zijn gegroeid.
Nu echter is dit wederzijdsch begrijpen nog verdiept, doordat dezelfde strijd in vollen omvang is gevoerd en hetzelfde leed in volle zwaarte wordt ondergaan.
Zoowel in Nederland als in Nederlandsch-Indië hebben de vijanden met hun propaganda voor de zoogenaamde nieuwe orde niets onbeproefd gelaten om de geesten te verleiden en hun dwingelandij en onderdrukking met de leugens hunner toekomstbeloften te omkleeden.
Maar deze leugens end it bedrog hebben niet gebaat, want schier allen hebben het doorzien en begrepen, dat onze vijanden slechts slavernij en uitbuiting beoogen, end at er, zoolang zij niet verdreven en verslagen zijn, van vrijheid geen sprake kan wezen.”
Van bijzonder belang is de tweede alinea van dit deel der redevoering. Daarin wordt bondig vastgelegd, dat niet deze oorlog pas het uitzicht geopend heeft op de beëindiging voor Indië van den kolonialen status maar dat – reeds lang tevoren – het stadium van koloniale verhouding gepasseerd was; dat Indië geen “bezitting” van Nederland meer heette, doch op den drempel stond van de ruime hal der rechtsgelijkheid. De volgende alinea zegt het nog eens; de oorlog leidde dit process van gelijkmaking niet in, doch onderbrak het tweemaal; den eersten keer op 10 Mei 1940, den tweeden keer op 7 Maart 1942.
Na de bovenaangehaalde passage herinnerde de Koningin vervolgens aan de vroegere redevoeringen, waarin Zij reeds “rondetafel-conferenties” tusschen vertegenwoordigers der rijksdeelen had aangekondigd, zoomed aan de belangrijke voorbereiding, welke met name in Indië in vollen gang, was maar door de besetting verstoord werd. Hare Majesteit vervolgde:
“Wij kunnen haar eefst weder hervatten, zoodra een ieder zijn overtuiging vrijuit zal kunnen uitspreken.
Staat het dus vast, dat vernieuwing noodig is in den staatkundigen bouw van het Rijk en in dien van Nederland en de overzeesche gebieden, het zou daarom niet juist e nook niet mogelijk zijn daarvan nu reeds den vorm te willen bepalen.
Ik weet, hoeveel groots en goeds in Nederland, onder den druk der besetting aan het groeien is; ik weet, dat zulks ook in Indië het geval is waar de saamhoorigheid door het ondervonden leed wordt versterkt.
Dit kan slechts worden uitgewerkt in vrij overleg, waarbij de beide gebiedsdeelen van elkanders denkbeelden zullen willen kennisnemen.
Bovendien heeft de bevolking van Nederland en van Nederlandsch-Indië, door haar lijden en haar verzet, haar recht bevestigd om mede te beslissen over den vorm, die zal worden gegeven aan die verantwoordelijkheid van het geheele volk tegenover de wereld van de verschillende bevolkingsgroepen tegenover elkander en tegenover zichzelf.
Door daarop nu vooruit te loopen zou dat recht worden miskend en het door bittere ervaring verwrven inzicht van mijn volk worden terzijde geschoven.”

(25)

[page break]

[photograph]
[photograph]

NEDERLANDSCH-INDISCHE GUERILLA-STRIJDERS
MAANDENLANG hebben zij op Java gevochten, tegen de Japanners. In de bergen, in het oerwoud hebben zij zich schuil gehouden, om den bezetter gevoelige slagen te kunnen toebrengen. En toen eindelijk hun positie onhoudbaar dreigde te worden, ontsnapten zij naar Australië. Deze foto van de Nederlandsch-Indische guerrilla-strijders en hun leider bereikte ons van daar.

In dit deel der Koninklijke rede wordt nogmaals vastgelegd, dat de vorm van het nieuwe Rijksverband thans nog niet kan worden bepaald. Daarover moeten de onderdanen der nu onder verdrukking zuchtende gebieden in vrijheid kunnen medespreken, op grond van alle ervaringen en inzichten, die zij juist tijdens de besetting in lijden en saamhoorigheid verworven hebben. Daarop vooruit to willen loopen, zou waarlijk van gebrek aan wijsheid getuigen.
“ik ben overtuigd”, zegt de Koningin, “en de geschiedenis en de berichten uit de bezette gebieden bevestigen mij daarin, dat het Rijk na den oorlog zal kunnen worden opgebouwd op den hechten grondslag van volledige deelgenootschap, die de voltooiing zal beteekenen reeds heeft ontwikkeld.
Ik weet, dat geen politieke eenheid en verbondenheid op den duur kunnen blijven bestaan, die niet gedragen worden door de vrijwillige aanvaarding en de trouw van de overgroote meerderheid der burgerij”.
Geen betere proef op de som van eeuwenlang bestuursbeleid dan het vertrouwen, hetwelk uit de laatste zinsnede spreekt: Ik wil geenerlei dwang opleggen, zegt de Koningin, Ik wil niet regeeren door vreesaanjaging en terreur. Neen, zonder “vrijwillige aanvaarding” en zonder “vrijwillige trouw van de overgroote meerderheid der burgerij” bestaat er geen duurzame politieke eenheid en verbondenheid.
Maar wel staat Harer Majesteit een beeld voor oogen van het te bereiken Rijksverband. Het werd in groote lijnen Aldus geschetst: “Ik stel mij voor, zonder vooruit te loopen op de adviezen der Rijksconferentie, dat zij zich richten zullen op een Rijksverband, waarin Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao tezamen deel zullen hebben, terwijl zij ieder op zichzelf de eigen, inwendige aangelegenheben en zelfstandigheden en steunend op eigen kracht, doch met den wil elkander bij te staan, zullen behartigen.
Ik meen, dat zulk een zelfstandigheid en samenwerking aan het Rijk en zijn leden de kracht zullen geven om hun verantwoordelijkheid naar binnen en naar buiten ten volle te dragen.
Daarbij zal voor verschil van behandeling op grond van ras of standard geen plaats zijn, doch zullen slechts de persoonlijke bekwaamheid der burgers en de behoeften van de verschillende bevolkingsgroepen den doorslag geven voor het beleid der Regeering”.
Het is geen wonder, dat de wereldpers met den hhogsten lof over deze baanbrekende rede van Koningin Wilhelmina gesproken heeft en haar de eerste daadwerkelijke verwezenlijking van het Atlantic Charter heeft genoemd: volledig deelgenootschap in de staatkundige praktijk; ieder behartigt in eigen sfeer de eigen zaken, steunend op eigen kracht. Maar tegelijk staan zij elkander bij voor het algemeene welzijn. Geen bevoorrechting naar ras of standard, doch enkel persoonlijke bekwaamheid der burgers en de objectieve behoefte der onderscheidene bevolkingsgroepen maatstaf voor het Regeeringsbeleid.
Een indrukwekkend program!

(26)

[page break]

“INGELOOF HEB IK’U NIET TE LICHT BEVONDEN”
HET VERZET DER KERKEN IN FRANKRIJK

door Prof. M. Bokhorst

ZOOALS in bezet Nederland en in vrij Engeland staan than ook in alle deelen van Frankrijk Roomsch en Protestant als één man op tegen geestelijke onderdrukking en tegen godenhaat.
Wat den Katholieken aangaat: Maarschalk Pétain had de woorden “Terug tot het geloof” in zijn vaan geschreven, en terugkeer van zekere kloosterorden, vrijheid voor het bijzonder onderwijs en invoering van catechisatie-onderwijs op de openbare scholen beloofd. Het leek.een oogenblik alsof Vichy werkelijk een “christelijke renaissance” wilde brengen. Het Vaticaan onderhield hartelijke betrekkingen met Pétain. Een deel van de hooge geestelijkheid, dat niet voelde wat er in het volk omging, werd door den schoonen schijn verblind.
Maar de dorpspastoors en de lagere geestelijkheid in ‘t algemeen, die de vinger hielden op de pols van de in groeiende opstandigheid levende volksmassa, zij namen geen blad voor den mond, en zij preekten den weerstand van den kansel.
Inmiddels had – zooals een Fransch blad het uitdrukte – “Vichy in plaats van christianisatie slechts nazificatie gebracht.” De Katholieke jeugdbeweging werd verboden, de Katholieke vakbeweging onder controle van de Nazis gebracht. In onbezet Frankrijk werd de verspreiding van de Encycliek “Mit brennender Sorge” en van toespraken van den Paus belet, en de uitzendingen van Radio Vaticana warden opzettelijk gestoord.
Midden 1941 begon de hooge geestelijkheid reeds ongerust te worden. Het Vaticaan begon te waarschuwen tegen de Nieuwe Orde in Frankrijk.
De doorslag werd echter eerst in 1942 gegeven door de afgrijselijke Joden-deportaties uit Frankrijk.
Daartegen in opstand e naan dien storm van verzet wilde de Katholieke Kerk leiding geven. Op 7 Augustus j.l. protesteerden de kardinalen en bisschoppen van bezet Frankrijk bij Maarschalk Pétain. Hun brief bleef onbeantwoord.
In onbezet Frankrijk verschenen Herderlijke Brieven van Mgr. Soliège, aartsbisschop van Toulouse en van Mgr. Théas bisschop van Montauban, die het beschermen van Joodsche volksgenooten al seen Christenplicht stelden. Mgr. Gerlier, aartsbisschop van Lyon, nam 120 Joodsche kinderen, die aan hun ouders ontroofd waren, in zijn paleis op en weigerde ze uit te leveren. Vijftig priesters warden om dezelfde reden gevangen gezet, maar niet nadat ze de betrokken kinderen in kloosters in veiligheid hadden gebracht. Een herderlijk schrijven van Mgr. Gerlier van 6 Sept. wordt door Vichy verboden en desondanks van alle kansels gelezen. Hij was het ook, die overleg pleegde met Dr. Boegner, den leider van de Fransche Protestanten.
Mgr. Chaptal, suffragaan-bisschop van Parijs, draagt een Davidster op zijn soutane, terwijl Mgr. Roeder, bisschop van Beauvais, die een Jood onder zijn voorouders heeft, zich in vol ornaat, voorafgegaan door een acolythe, die het Kruis droeg, naar het registratiekantoor begaf, waar de Joden van Beauvais zich bij de Duitsche authoriteiten moisten laten registreeren.
Aartsbisschop Gerlier is de groote beschermer van het verbond van jonge Katholieke arbeiders, dat in het voorste gelid staat in den strijd tegen de deportatie van Fransche arbeiders naar Duitschland. Zijn stichter, kanunnik Cardijn is kort geleden in België gearresteerd evenals Jet Deschuiffeleer en Jacques Meert, de algemeen-voorzitter van de Vlaamsche vertakking van dit verbond.
Uitstekend werk wordt eveneens gedaan door het ondergrondsche maanblad “Cahiers du Témoignage Chrétien”. Uitspraken van Fransche bisschoppen staan hierin afgedrukt naast de rede van Kardinaal Faulhaber “Zullen wij de Kerk verlaten?” en naast den Herderlijken Brief van de Duitsche bisschoppen, die in het voorjaar van 1942 is gepubliceerd. Zoo goed en inspireerend zijn deze bladen van het Christelijk getuigenis, dat de Fransche Protestanten zelfs besloten hebben, hun eigen ondergrondsche blad “Feuille” op te heffen, om aan de “Cahiers” mede te werken die thans onder Christenen ongeacht geloofsbelijdenis worden verspreid.
In de “Cahiers” wordt veel geciteerd van den innig vroomen, mystiek geëxalteerden schrijver Charles Péguy, die reeds in het begin van den vorigen oorlog als jong Fransch luitenant het leven liet voor zijn land. Is het verwonderlijk, dat Katholiek Frankrijk, dat zijn kracht weer in het Geloof zoekt, zich terugwendt tot een schrijver, die met zijn innerlijke bewogenheid een groote invloed op de Fransche jeugd van voor den vorigen oorlog heeft gehad?
De “Volontaire”, het blad van de Fransche Katholieke strijders in Londen, gaf onlangs een foto van een engel op het dak van de Kathedraal van Chartres, gezien tegen den achtergrond van het Fransche landschap. Het bijschrift was aan Péguy ontleend. Het luidde:
“O, volk dat de Kathedraal heeft uitgedacht, in geloof heb ik U niet te licht bevonden.”

(27)

[page break]

TWINTIG JAAR MARSCH NAAR ROME
Door A. Den Doolaard

OP 28 October j.l. herdachten de Italiaansche fascisten den 20en verjaardag van den zoogenaamden marsch naar Rome, waarmee het fascime de macht aanvaardde. Dat Mussolini zelf dezen marsch in een slaapwagen maakte, is slechts een picante bijzonderheid, volkomen passend bij deze over ‘t paard getilde figuur. De Wervelwind herdenkt dezen verjaardag opzettelijk iets later dan de fascisten; wij hebben nl. rustig afgewacht, welke gaten de geallieerde Novemberstorm in het kartonnen kaartenhuis van het imitatie-Cæsarendom zou blazen. – Laten wij het fascism eerst even bekijken in theorie, om daarna te zien, welke zegeningen twintig jaar regeering van de brute onderkaak het Italiaansche volk hebben gebracht.
Het Italiaansch fascism is een uniek verschijnsel in de politieke sfeer. Als politieke partij, die zichzeft later als eenig toegelaten partij doorzette, legde het zijn wil op aan het Italiaansche volk, nog voor het een partijprogramma bezat. Het programme “La Dottrina del Fascismo” kwam pas uit in 1931. Het fascism kon het volk aanvanklijk geen partijprogramma voorleggen ‘omdat het in oorsprong niets anders was dan een synthese van negaties. Allereerst een negatie van het communisme: tegenover het communistisch internationalisme stelde het fascism het “heilig egoism van de natie”; tegenover de communistische vrijdenkerij stelde het den godsdienst, ook uit opportunistische redenen, daar het spoedig zag, dat het de Kerk niet te veel tegen zich in kon nemen. Tegenover openbaar eigendom stelde het privébezit, waardoor het een basis en bondgenoot vond in het kapitalisme. Daarnaast was het fascism echter ook een negatie van liberalisme en democratie. Tegenover het liberale “laissez-faire” stelde het sterke regulatie; tegenover wat het de democratische vereering van het kiezerscorps noemde, stelde het een “waarachtige volksvertegenwoordiging” door de corporaties. Deze corporaties echter warden niets anders dan getemde en machtelooze vakbonden, negaties dus van het syndicalisme. Inplaats van volksvertegenwoordiging te zijn warden zij organen van den Staat, en hulpelooze belichamingen van den heftig ontkenden klassestrijd. Spiritueel gesproken, ontstond het Italiaansch fascism uit twee andere negaties, n.l. uit ontevredenheid en schrik. Italië stond politiek eigenlijk nog in de kinderschoenen; de nationale Vereeniging was eerst tot stand gekomen tusschen 1815 en 1870: het in dien tijd ontsproten jonge nationalisme verlangde onstuimig naar machtsuitbreiding in het kader van een Imperium. Uit den vorigen wereldoorlog met zijn vele nederlagen hielden de Italiaansche nationalisten en imperialisten een gevoel van schaamte over, dat zij op de toekomst wilden wreken. De ontevredenheid wegens gebrek aan gebiedsuitbreiding moest verhaald worden op zwakkere volkeren. Naast ontevredheid baseerde het fascism zich ook op den doodelijken schrik van een beangst burgerdom tegenover het communisme met zijn dreigende aanranding van privébezit. Zelf zonder levensbeginsel en kracht zijnde, stortte het zich in de armen van het fascism. Het fascism gaf de Italiaansche bourgeoisie het troostend slaapmiddel van een super-partij, die ondanks haar inmenging het beginsel van privéeigendom trouw zou bewaken.
Deze super-partij zorgde voor de politieke eenheid in een almachtigen Staat. De beginselverlaring van 1931 (zeer waarschijnlijk niet door Mussolini geschreven, maar door den filosoof Gentile) zegt: “De natie sterke wordt geschapen door den Staat. De Staat geeft het volk, dat zich bewust is van zijn moreele eenheid, een wil, en daardoor een daadwerkelijk bestaan.” De praktijk heeft het failliet dezer valsche leer bewezen. Een Staat kan slechts nummers en automaten voortbrengen, tenzij deze Staat gedragen worde door een zelfbewuste natie, bestaande uit menschen met persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef. Typisch is alweer, dat het fascism, ontstaan als het is uit negaties, slechts een zoogenaamde eigen leer kon voortbrengen, door algemeen aangenomen grondslagen binnenste buiten te draaien. Het vermenigvuldigen van minus met minus geeft echter slechts een plus tot resultaat in de algebra: in de politiek is en blijft minus maal minus: minus-kwadraat.
Vandaar de komende ineenstorting van het fascistisch kasteel, waarvan de muren nu reeds door de Moffen moeten worden geschoord. Het fascism heeft altijd een dubbel gezicht gehad. Naar binnen gericht op vrede en sociale rechtvaardigheid, in theorie ten minste, loerde het naar buiten op oorlog en gebiedsuitbreiding. Het doel van het fascism werd uiteindelijk slechts versterking van de kracht der natie terwille van imperialistische doeleinden: de schaduw van het Romeinsche Rijk liet Mussolini geen rust. Pijnlijk is, dat, waar oorlog te riskant leek, allereerst sluipmoord te baat werd genomen, terwijl de techniek van de verraderlijken overval, waarvan sluipmoord een detail vormt, en gros werd toegepast om het risico te verminderen. Zoo is het regime van den krachtigen onderkaak verworden tot een opeenvolging van sluipmoorden en verraderlijke aanrandingen. Sluipmoord op Mateotti, om de partij te doen zegevieren; sluipmoord op Alexander van Yougoslavië, in de valsche hoop, dat de Zuidslavische Staat na diens dood

(28)

[page break]

uiteen zou vallen, zoodat Italië met Kroatië en Dalmatië zou kunnen gaan strijken: onteerende gifgasoorlog tegen de Libysche Senoussi; verraderlijke overval op Abessynië, op Frankrijk inhet uur der Fransche machteloosheid; op Griekenland, waar de blikken blaaskaak zijn bitterste nederlaag leed. En het einde is dat de namaak-Caesar, die op een korten, voordeeligen oorlog speculeerde, thans zijn volk op verloren fronten moet laten bloeden, terwijl Italië van twee kanten tegelijk in puin wordt gelegd. Nu geeft de Staat het volk inderdaad een wil: de wil tot vluchten, in paniek, onverschilling waarheen. Het fascism, belust op gemakkelijke buit, sleepte dit volk in een oorlog, die de Teutoonsche broer wel zou uitvechten. Het einde is, dat de Teutoon in Italië de krijgswet afkondigt over de Italiaansche arbeiders, die in paniek wegvluchten uit de ineenstortende oorlogsindustrie.
Mussolini de Machtelooze is nog slechts een hyena, huilend in den woestijn der vergetelheid om zijn verloren legioenen. Deze vervaarlijke baby met het bedorven pruilmondje slaapt nog slechts veilig in de wieg der Gestapo onder Himmler’s hoede. De fascistische staat heeft nog slechts een daadwerkelijk bestaan bij de gratie van het Derde Rijk, dat dit vooruitgeschoven bolwerk van de zoogenaamde vesting Europa zal opofferen tot de laatste splinter. Ziedaar het resultaat van 20 jaar fascisme; de eerstvolgende marsch op Rome zal niet uitgevoerd worden per Italiaansche slaapwagen, maar per geallieerde tank, door een land, dat verwoest wordt, omdat het de noodlottige machtswaan zijner corrupte heerschers niet tijdig vermocht te stuiten.

DE DROEVE GESCHIEDENIS VAN “IL DUCE”
Of “Van kopstuk tot stukke kop!”

[photograph] [photograph]
Op deze foto ziet U enkele Amerikanendie een borstbeeld van Mussolini naar den oudroesthoop brengen.
[photograph] [photograph]

(29)

[page break]

Enkele types geallieerde vliegtuigen d[missing letter] men in Nederland dikwijls te zien krijgt

(1) DE HALIFAX . . . Een viermotorige zware bommenwerper, die met een lading van duizenden KG bommen een bijna even groote snelheid ontwikkelt als de modern jagers. De spanwijdte bedraagt 30 M. Rostock heeft met de Halifax;al kennis gemaakt.

(2) DE STIRLING . . . Een ander type viermotorige reus met een nog grooter laadvermorgen aan bommen. Dit type heeft deelgenomen aan aanvallen op de Roer, op de Duitsche-Oostzeehavens, Italië en de beroemde Skodafabrieken in Tsjechoslowakije.

(3) DE LANCASTER . . . De nieuwste Geallieerde bommenwerper, het beste zware type ter wereld. Honderden en nogmaals honderden Lancasters zullen het vijandelijk grondgebied aanvallen, naarmate de Britsche fabrieken ze afleveren. Genua heeft hier al een staaltje van te zien gekregen.

(4) DE MANCHESTER . . . Een geduchte tweemotorige snelle bommenwerper. Al heeft de Manchester maar twee motoren, toch is de bommenlast buiten verhouding groot, terwijl het toestel tot boven verafgelegen vijandelijke industriegebieden doordringt.

(5) HET VLIEGEND FORT . . . Vliegt hoog, buitengewoon snel en is zwaar bewapend. Deze Amerikaansche viermotorige bommenwerper heeft een groote rol gespeeld bij het keeren van de Japansche aanvallen in het Verre Oosten, en heeft vooral bij Nieuw Guinea merkwaardige successen behaald. Ook heeft het Vliegend Fort goed werk verricht bij aanvallen van geringe hoogte opdoelen ter zee.

(6) DE SPITFIRE . . . Het beste gevechtsvliegtuig ter wereld; is voorzien van twee kanonnen en vier mitrailleurs. Waar de Spitfire ook vliegt, is dit toestel de baas. Boven Malta herhaalt dit vliegtuig dagelijks de roemruchte daden van den Slag boven Engeland.

(7) DE HURRICANE . . . Deze oude vechtjas heeft al aan 17 verschillende fronten dienst gedaan, van Ijsland tot Oost-Indië. Het toestel opereert ‘s nachts boven vijandelijke vliegvelden, terwijl de vijandelijke bommenwerpers opsstijgen; het heeft een grootere vuurkracht dan elke andere eenmansjager.

(8) DE BEAUFIGHTER . . . Deze tweemotorige jager is de vijand de baas gebleven sedert het najaar van 1940 toen het de nachtelijke aanvallen van de Luftwaffe, krachtig bestreed. Het type wordt nu gebruikt voor escortedienst en nachtaanvallen.

(9) DE WELLINGTON . . . Dit type is al drie jaar lang het voornaamste Engelsche aanvalswapen, dat bij het personeel van de R.A.F. buitengewoon populair is. Honderden Wellingtons hebben deelgenomen aan den nacht van 30 op 31 Mei op Keulen hebben gedaan.

(10) DE HAMPDEN . . . Dit tweemotorige toestel is al lang in dienst, en wordt nu als torpedovliegtuig gebruikt. Toen de R.A.F. met de eerste nachtelijke bomaanvallen begon, gingen vooral de Hampden erop uit.

(11) DE SUNDERLAND . . . 18 dagen na het uitbreken van den oorlog hebben twee vliegbooten van dit viermotorig type 34 leden van de bemanning van het zinkende schip de Kensington Court gered. De Duitschers noemen dit zeemonster de Vliegende Egel. Het patrouilleert boven de Noordzee, den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche Zee. Het brengt duikbooten tot zinken en beveiligt de belangrijke zeeroutes.

(12) DE BOSTON . . . Dit tweemotorige type opereert overdag als bommenwerper. Het heeft groote verwoestingen aangericht op vliegvelden, in havens, spoorwegeentra en industriegebieden. Het is heel snel, is bewapend met zes gevaarlijke kanonnen, en heeft een bemanning van drie personen. De Boston is al een oude bekende in Zeebrugge, Rouen, Le Havre en Poissy, en liet zich bij de Geallieerde overwinningen in Egypte niet onbetuigd.

(13) DE BLENHEIM . . . Deze jager was een van de twee eenige types die de R.A.F. bij het uitbreken van den oorlog bezat. Het nu gewijzigde type behaalt steeds nieuwe successen bij dag aanvallen van geringe hoogte, bij het leggen van rookgordijnen, bij het verrichten van verkenningswerk, enz.

(14) DE BEAUFORT . . . Een tweemotorige, zwaar bewapende torpedobommenwerper, die ook als bommenwerper en als verkenningsvliegtuig dienst doet. Een groot aantal havens in de bezette gebieden weten heirvan meet e spreken.

(30)

[page break]

[picture]

[inserted][underlined] ave [/underlined][/inserted]

[page break]

KANTTEEKENINGEN BIJ ENKELE BELANGRIJKE REGEERINGS-MAATREGELEN

[crest]

I
TELEGRAM van H.M. Koningin Wilhelmina aan den heer Kalinin, President van de U.S.S.R.:
“Op dezen verjaardag bied ik U, Mijnheer de President, mijn hartelijkste gelukwenschen en de beste wenschen voor de toekomstige welvaart en het geluk der U.S.S.R. aan en ik betuig daarbij tevens mijn groote bewondering voor de energie en vastbeslotenheid der Sowjet-volkeren en voor het heldhaftig verweer van hun onweerstaanbare legers.”

Boodschap van den Minister van Buitenlandsche Zaken ter gelegenheid van den 25sten verjaardag van de November-Revolutie tot het volk der Sowjet-Unie:

“Over de geheele wereld, op welk front zij ook hun aandeel bijdragen tot de overwinning, worden de mannen en vrouwen van Nederland gesterkt door het onwrikbaar besef dat de macht van de As vernietigd zal worden door de gemeenschappelijke inspanning der Vereenigde Volkeren. Zij weten dat de heroische verdedigers van de Sowjet-Unie onder het bezielend leiderschap van Stalin, machtige slagen toebrengen aan den vijand, end at anderzijds iedere slag die zij zelven den vijand toedienen, bijdraagt tot den succesvollen afloop van de titanische worsteling in de Sowjet-Unie.

De wapenbroederschap der Vereenigde Volkeren, order wie de volkeren der Sowjet-Unie zulk een belangrijke plaats innemen, gaat vooraf aan hun samenwerking, die na de overwinning en in overeenstemming met de beginselen van het Handvest van den Atlantischen Oceaan, een nieuw hoofdstuk zal openen in de wereldgeschiedenis.

Dwars door den rook en de vlammen van het strijdgewoel beginnen wij reeds de vormen te onderscheiden van een nieuwe volkerengemeenschap, waarin de volkeren van de Sowjet-Unie, dank zij hun ongeschokt vertrouwen in- en hun ontzaglijke offers voor de gemeenschappelijke zaak, een eervolle plaats zullen innemen.”

II
NEDERLANDSCHE SCHEEPVAARTINSPECTIE.

Ten behoeve van de Nederlandsche Koopvaardijvloot is de Minister van Waterstaat overgegaan tot de vestiging van posten van de Nederlandsche Scheepvaartinspectie in verscheidene werelddeelen.

De Nederlandsche Scheepvaartinspectie heeft dientengevolge vertegwoordigers gekregen in Curaçao, te New York, te San Francisco, te Durban en te Sydney.

Op voordracht van den Minister van Waterstaat zijn bij Koninklijk Besluit van 8 October 1942 (Staatablad No. C 61) de bevoegdheden geregeld van de Inspecteurs van Buitengewonen dienst, die voor die posten zijn aangewezen.

De inspecteurs in buitengewonen dienst staan voor hun werkzaamheden als zoodanig, ingevolge het artikel 10 van de Schepenwet, onder de bevelen van den Minister van Waterstaat.

Bij Koninklijke Besluiten van 1 October en 8 October 1942 zijn benoemd tot inspecteurs in buitengewonen dienst: Kapitein-Luitenant ter zee K.M.R. W. van Hemert, Kapitein-Luitenant ter zee K.M.R. Mr. A. Boosman, Kapitein-Luitenant ter zee K.M.R. B.J. Knollema, W. van der Giessen, Kapitein-Luitenant ter zee K.M.R. b.d. N.S. Hartog, T. Veerman, inspecteur van de Ned. Indische Scheepvaartinspectie. Tot adjunct-inspecteurs in buitengewonen dienst: G.J.A. Wedel, S.L. Vellinga, A. Kokke; tot experts in buitengewonen dienst: W. Tuinebreyer, J.J. Pol, J.A. Toter, S. de Haan.

De Regeering verwacht, dat door deze uitbreiding van de Nederlandsche Scheepvaart-inspectie het toezicht op de veiligheid van de Nederlandsche scheepvaart zeer belangrijk zal zijn verbeterd end at bovendien veel oponthoud zal worden vermeden, dat tot dusver in verscheidene gevallen, door de moeilijkheid om certificaten en dispensaties te verkrijgen, werd veroorzaakt.

III
VOOR DE INDONESISCHE ZEELIEDEN.

De Nederlandsche Regeering blijt bij voortduring haar aandacht wijden ann de mogelijkheden tot uitbreiding van de sociale maatregelen ten behoeve van onze zeevarenden. Onze zeelieden hebben in dezen oorlog geen gemakkelijke taak. Dit geldt niet slechtsvoor de Hollanders, maar in nog veel sterker mate eigenlijk, voor de vele Indonesiers, die onze koopvaardijschepen bevolken. Zij toch voelen zeer sterk het gemis aan een pied-á-terre, gelijk zij dat in normale tijden plachtten te vinden in Indië en Holland. Vooral het wegvallen van Indië, hun “negri”, het land, waar zij dag en nacht van droomen, maakt voor hen het leven aan boord nog zwaarder. Zij missen thans de gelegenheid om, zooals vroeger, in hun eigen land eens “lost e komen” en zich in hun eigen sfeer te bewegen.

Teneinde dit gemis eenigermate te verzachten, heeft de Regeering derhalve besloten, zoo mogelijk nog voor het einde van dit jaar, twee clubhuizen voor Indonesische zeelieden te openen te Liverpool en Glasgow. Overleg is thans gaande met de bevoegde Britsche instanties om het clubhuis te Liverpool tevens te voorzien van slap- en eetgelegenheden, resp. voor 60 en 40 man. Te Glasgow zal, in tegenstelling tot Liverpool, een clubgebouw worden ingericht zoowel voor Nederlandsche als voor Indonsische zeelieden.

LEZEN EN DOORGEVEN!
Verspreiding van deze artikelen dient de nationale zaak

(32)

H.I.

Citation

“De Wervelwind,” IBCC Digital Archive, accessed June 27, 2022, https://ibccdigitalarchive.lincoln.ac.uk/omeka/collections/document/9865.

Item Relations

This item has no relations.